recensie In ’De rode droom’ gaan twee voormalige Oostblokkers op zoek naar een nieuwe utopie. Jammer dat Bernlef aan de utopie-roman zo weinig nieuws weet toe te voegen.
240 blz. euro18,95
Wie over paradijzen en utopieën schrijft, springt op een rijdende trein. De verhalen over Luilekkerland en Utopia (of ’Brave New World’ en ’1984’) zijn zo indringend en archetypisch, dat nieuwe verhalen vaak hetzelfde stramien volgen. De kunst is om er iets aan toe te voegen en het genre naar je hand te zetten.
De nieuwe roman van schrijver en dichter Bernlef, ’De rode droom’, past in de utopische traditie. Het is lichtvoetiger dan zijn boekenweekgeschenk ’De pianoman’ of zijn klassieker ’Hersenschimmen’, maar leest ook alsof hij zin had zich helemaal nergens iets van aan te trekken. Wil hij zijn proza onderbreken met een toneelstukje? Dan doet hij dat. Heeft hij zin in flauwe grapjes en knipogen naar de klassiekers? Niemand die hem tegenhoudt.
Bernlef volgt grofweg het spoor van Voltaire, die zijn naïeve Candide samen met de aartsoptimist Pangloss van ramp naar tegenslag over de hele wereld liet reizen, waarbij de twee even in het utopische Eldorado belanden. In ’De rode droom’ gaan de twee hoofdfiguren ook op reis en verblijven ze een paar dagen in de Pleasure Dome, een variant op het bekende vakantiepark Eldorado.
Maar laten we bij het begin beginnen. De helden van dit verhaal zijn Kowalski en Krap, twee vijfenvijftigjarige mannen uit het voormalige Thuisland, dat na de val van het socialisme is opgegaan in het Buurland. Met die symbolische landsnamen wil Bernlef waarschijnlijk zeggen: denk aan Oost- en West-Duitsland, maar leg het verhaal niet droogstoppelig naast de historische feiten.
Na de omwenteling is liftinspecteur Krap gedegradeerd tot suppoost in een liftenmuseum. Kowalski was distributeur van toiletpapier, maar is tegenwoordig werkloos. Met enige weemoed denken ze terug aan de socialistische idealen waar hun voormalige vaderland zo’n potje van maakte.
De dominante Krap werkt koppig aan een ’blauwdruk van een vernieuwd socialisme’ op basis van de ’wet van de wederzijdse aantrekkingskracht’ die hij ontdekt denkt te hebben. Geef iedereen het werk dat bij hem past en waar hij talent voor heeft. Schaf het huwelijk af. Doe geld in de ban. Met dat soort ideeën wil hij de wereld veroveren en Kowalski hobbelt achter hem aan.
Ze komen in Amsterdam terecht, waar de ex-vrouw van Krap, die eerder gevlucht was, een reisbureau is begonnen met haar nieuwe geliefde. Dankzij haar vliegen de twee mannen naar Tunesië voor een verblijf in het luxueuze Pleasure Dome, een soort commercieel Luilekkerland. De enthousiaste Krap ruikt zijn kans en legt de directeur uit dat dit vakantieoord met een toefje socialisme nog veel mooier kan worden. Als hij over de gelegenheid tot vrije liefde begint – een harem binnen de muren van de Pleasure Dome – ontsteekt de man in woede en worden de vrienden als ongewenste vreemdelingen uit het paradijs verdreven.
Er zitten wel heel veel verwijzingen en parallellen in dit boek, zodat je niet het gevoel krijgt dat Bernlef aan het genre iets nieuws toevoegt. Het gaat maar door. Candide verwierp de luchtfietserij van Pangloss met de beroemde woorden: „Dat heeft u voortreffelijk gezegd, maar we moeten onze tuin bewerken.” Op de laatste Leibniz-achtige denksprong van Krap antwoordt Kowalski: „Het was een droom, een mooie droom. Maar nu moet ik eens op huis aan, mijn plantjes water geven.” Leuke knipoog, maar het betekent wel dat Bernlef een conclusie trekt die Voltaire al heeft voorgekauwd.
Daar komt bij dat ’De rode droom’ een verhaal uit de jaren negentig lijkt: het socialisme is ingestort, maar de vliegtuigen zijn de WTC-torens nog niet ingevlogen, laat staan dat de kredietcrisis al opdoemt. De wereld is alweer veranderd en het kapitalisme waant zich niet langer onkwetsbaar, maar daarover rept Bernlef met geen woord. Daardoor maakt ’De rode droom’ nu al een gedateerde indruk. Terwijl een écht goede satire natuurlijk eeuwenlang actueel blijft.
Bernlef zoekt het universele liever in de liefde. ’De rode droom’ slaat voor Kowalski niet zozeer op socialisme, maar op zijn verlangen naar een meisje met rood haar. Dat Krap het huwelijk een ’achterhaalde instelling’ noemt, komt mede doordat zijn eigen vrouw hem heeft verlaten; en de theorie over de universele aantrekkingskracht staat in schril contrast tot Kraps eigen eenzaamheid. En dat is dan toch wel mooi: liefde als utopie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.