*

 

Zolang het maar lijkt op een echt gedicht

Erik Jan Harmens − 07/02/09, 00:00

recensie Debutanten in de poëzie denken soms dat je een heel eind komt met veel alliteratie, vage metaforen en een snufje engagement. Niet dus.

Het mooie van debuutbundels is dat dichters vaak van alles uit de kast gaan halen om geloofwaardig over te komen. Ze hebben nog geen vastomlijnd idee van stijl of thematiek. Ze willen veelvormig zijn: hard en zacht, rijmend en niet-rijmend, parlando regels en stokkerig staccato wisselen elkaar af. En inhoudelijk moet de boel toch vooral heel erg lijken op poëzie.

Maarten Inghels demonstreert dat door in zijn debuut ’Tumult’ te schrijven: „Ik sta op het dak / van de stad en / dek haar hart / met mijn jas toe.” Hier klankrijmt en allitereert de dichter er lustig op los (dak, van, sta, stad, en, dek, haar, hart, met, mijn, jas) en bovendien schrijft hij iets wat bij mensen een vraagtekentje boven het hoofd tovert: de man staat op het dak van een stad. Echt betekenis heeft dat verder natuurlijk niet. Een stad hééft helemaal geen dak.

In andere gedichten draagt een vrouw ’de herfst in haar knieën’, ’de zon glimlacht in haar mond’ en een ’omhelzing duurt een zonsondergang lang’. In het op een na laatste gedicht schudt de ik-figuur sneeuw van zich af, waarna hij verzucht: „Ik smelt. / Ik ben plasjes op de grond.” Het ene cliché wordt op het andere gestapeld. Dit is poëzie die op de radio met gebronsde stem over vioolmuzak placht te worden voorgelezen. Je zou er haast om lachen, ware het niet dat dit een uitgave is in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij.

Elvis Peeters, tot zover enkel bekend als romanschrijver, debuteerde onlangs ook als dichter. Hij trapt in een andere valkuil. Peeters denkt dat woordgrapjes een gedicht kunnen redden, dus gaat het in de bundel ’Dichter’ over een liefde die voorbij is: ’De bijl is neergelegd.’ Verraad wordt zo vormgegeven: „Een eenmaal gebroken woord draagt / voor altijd een barst.” En „als het laatste woord gevallen is, / zullen we het oprapen”.

Verder demonstreert Peeters dat sociale betrokkenheid nog geen recept is voor geslaagde poëzie. Zo laat hij in een gedicht een groep mannen een dorp intrekken waar „met de vrouwen gebeurt wat de mannen van wie zij houden / met hen zouden hebben gedaan”. Vervolgens worden ’haar benen geopend’ en vuurt een soldaat ’zijn wapen af in een vagina’. Schokeffect natuurlijk, waarna de moralist zijn toehoorders op klinische wijze het principe van oorlogsvoering toewerpt: „Iemand heeft een idee. Gaat na welke middelen / hij nodig heeft om dit idee waar te maken. Zoekt uit / aan wie hij het kan vragen. / U misschien?” Nog liever zie ik Marco Borsato in gestrekte draf met aan elke hand een kindsoldaat door Afrika rennen, dan dergelijke geveinsde correctheid.

Er debuteerde onlangs nóg een romanschrijver als dichter, namelijk Marcel Möring. En Möring slaagt wel. Hij staat niet op het dak van een stad. Hij raapt geen gevallen woorden op. Möring kan gewoon stinkend goed en oorspronkelijk schrijven, ook in de vorm van een gedicht.

Hij omschrijft een bruidssuite erg geestig, namelijk als volgt: „In de kamer met het lage dak (plafond / van hout vloer van hout alle muren / hout) breekt het glas van het geluk.” Dat is nieuwe taal! En in het gedicht dat hieronder in zijn geheel is afgedrukt laat hij een echtpaar ’s nachts wakker liggen. Het is knap, hoe de dichter ons bij die ribben eerst aan een mager vrouwenlijf laat denken (door een harde return te plaatsen na ’ribben’, dat heet een enjambement), waarna we een soort van betrapt snappen dat het om tegen het plafond gespijkerd lattenwerk gaat. Daarna vergelijkt de dichter het steeds bewegende laken van de woelende slapelozen met de branding, een metafoor waar ik niet zo stuk van ben, ’de branding van het laken’ vind ik te veel bedacht. Alsof de taal toch vooral veel moet lijken op poëzie.

Maar op het eind komt het goed. Hij wacht op het licht en zij ’op het hoesten van het beest’. Dat beest, dat kan de hond zijn, het kan de man zijn maar het kan ook een dichterlijke verbeelding zijn van het begin van een dag. U leest een ander gedicht dan ik, maar we lazen allebei hetzelfde gedicht. Marcel Möring schreef een debuutbundel die ergens over gaat.

mailIcon print |