Nederlands talent moet meer kans krijgen in de basketbalcompetitie. De voornemens zijn mooi, maar de praktijk is weerbarstig.
Het was een intrigerend zinnetje in het programmablad van Amsterdam Basketbal: „Het aantal buitenlanders is inmiddels opgelopen tot zeven en dat lijkt zich goed uit te betalen.” Intrigerend, want de eredivisieclubs in de basketbalcompetitie hebben dit seizoen al vijftien buitenlanders, meest Amerikanen, ontslagen.
Kort geleden pleitte ex-bondscoach Marco van den Berg in deze krant voor minder buitenlanders in de competitie. Die belemmeren de doorstroming van Nederlands talent. Van den Berg gruwt van teams met louter Amerikanen. Hij wil zijn kaarten op de jeugd zetten: „In Nederland is geen enkele club met een fatsoenlijke jeugdopleiding. Ik zou willen eisen dat iedere club jaarlijks voor 150.000 euro in de jeugd investeert.”
Randy Wiel, coach van Den Bosch, die dit jaar al drie Amerikanen wegstuurde, zegt daarover: „De kwaliteit van die Amerikanen is goed, maar hun mentaliteit niet. Ze hebben de pest in als ze op de bank moeten zitten omdat Nederlandse spelers ook minuten moeten maken. Als je Amerikanen binnenhaalt, maak je jezelf ondergeschikt aan hun carrièrepatroon; dat moet je niet willen.”
Anderzijds wijst Wiel erop dat inkrimping van het buitenlandse smaldeel tot kwalitatief minder basketbal leidt: „Er is niet voldoende aankweek van Nederlandse talenten. In 1993 liet ik Vincent Krieger als spelverdeler debuteren. Hij is nu 34 en speelt al jaren in het nationale team. Daar start hij nog altijd in de basis. Wat dat zegt? Dat er in al die jaren geen gelijkwaardig talent is opgestaan.”
Den Bosch lanceerde medio februari een plan dat in de oren van Van den Berg en Wiel wel als muziek moet klinken. Niet meer acht buitenlanders volgend seizoen, maar slechts vijf, waarvan twee echte toppers. Daarnaast willen de Bosschenaren vier Nederlandse topspelers vastleggen. De ploeg moet gecompleteerd worden met de drie talentvolste junioren uit de eigen opleiding die een meerjarig contract krijgen en tweemaal per dag met de hoofdmacht meetrainen.
Kansen voor de jeugd dus. Bij de introductie van het plan sprak voorzitter en sponsor Kurvers van Den Bosch over een achterstand van vijftien jaar in de jeugdopleiding. Hij is bereid op jaarbasis twee ton in het plan te steken. Daarbij hoort ook een basketbalschool voor jeugdige talenten, te starten in 2009. Ambitieus, maar resultaat kan nog jaren op zich laten wachten en dan is het de vraag hoeveel geduld de club heeft.
Ook bij Amsterdam lijkt het besef gegroeid dat een jeugdopleiding noodzaak is: „Als we erin slagen jeugdopleidingen op te zetten voor 15-16 jaar in Amsterdam, Den Bosch en Groningen zou dat een fantastische stap voor het Nederlands basketbal kunnen zijn.” Voorlopig zijn dit alleen mooie woorden in het programmablad. De praktijk wijst anders uit.
Van de 21 spelers die zaterdag bij Amsterdam – Den Bosch in het veld kwamen, hadden er maar zes de Nederlandse nationaliteit. De drie die Amsterdam zaterdag in het veld bracht, vulden slechts dertig procent van de gezamenlijke speeltijd. Van de tien Amsterdamse spelers zijn er dit jaar zes nieuw.
Geen wonder dat het publiek daar op afknapt. Er waren nauwelijks 400 toeschouwers bij de topper (nummer 1 tegen nummer 3). Het kenmerk van de ware supporter is zijn verknochtheid aan de ploeg en niet aan het spel. Die ploeg moet herkenbaar zijn. Een supporter moet zich met zijn helden kunnen identificeren. Abukar, Gipson, Randamie, Wyatt en Kabba - allen nieuw dit seizoen - doen het supportershart niet sneller kloppen.
Amsterdam had lang iconen, maar die tijd is voorbij. Mario Bennes is nu toeschouwer. Rolf Franke en Joe Spinks - Amerikaan, jazeker, maar door zijn lange verbondenheid tot ’Amsterdammer’ uitgegroeid - zitten als clubarts en assistent-coach op de bank.
„Het team is van hoog niveau en de aansluiting met de rest van Europa lijkt een kwestie van tijd”, jubelde het programma. Tijd kan heel lang duren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.