Eindelijk naar de bergen. Vanuit Bern zoeft de trein naar het Berner Oberland, naar Interlaken, het stadje dat je op de vertrekborden van Nederlandse stations heel lang zag staan als eindbestemming van de internationale trein naar het zuiden van Duitsland en Zwitserland.
In zekere zin is het nog een eindbestemming, want van hieruit kijk je tegen de hoge Alpenwand aan die dit deel van Europa scheidt van het deel dat erachter ligt.
Bij mij begon in Thun –halfweg Bern en Interlaken– al een lichte buikpijn in te zetten toen ik de eerste Alpenreuzen zag opdoemen, huiveringwekkend grote brokken zwart gesteente die –zoals de Duitse expressionisten al hadden opgemerkt– elk uitzicht op de Middellandse Zee versperren. Ze boezemen mij als echte laaglander angst in, nee, ik hou niet van de bergen. Toch moet ik straks naar boven, maar het weer is intussen verslechterd, de bergen gaan in wolken gesluierd en de webcam die op de hotelkamer de toppen toont van het Jungfraujoch (3454 meter) en de Schilthorn (2971 meter) biedt koude, mistige panorama's waarin met moeite enkele besneeuwde flanken te onderscheiden zijn.
Meest vreeswekkend is nog de noordwand van de Eiger, die, zo stel ik mij voor, letterlijk als een 1800 meter hoge, ijzige en brokkelige muur bijna loodrecht oprijst en alles onder hem dreigt te verpletteren. Voor de Zwitsers een bijna mythische bergwand, die in 1938, dus zeventig jaar geleden, voor het eerst door klimmers werd bedwongen, een expeditie van twee Duitsers en twee Oostenrijkers onder wie Heinrich Harrer, die op zijn rugzak nog een vaantje met een swastika meevoerde. Sinds dat succes kwamen er zo’n vijftig klimmers om het leven en staat de Eigerwand bekend als de moordwand –onmenselijke oorden zijn het, die bergen.
Het stadje Interlaken, tussen twee meren gelegen, is eerder lieflijk, ooit, lang geleden, een kuuroord voor de elite met sporen van grandeur, nu vooral de toeristische poort tot het bergland. Dus wandelen er sportief uitgeruste mensen door de straten, met wandelstokken, rugzakken en bergschoenen, langs winkeltjes met vilthoedjes en houten speelgoed. En ook schuifelen er helemaal niet sportief uitgeruste figuren voorbij, in kleine groepjes en gehuld in oranjeshirts, die, als je naar hun gesprekken luistert, vooral doende zijn Zwitserse franken om te rekenen in euro’s. Ze zijn aan de rand van het meer neergestreken, op de oranjecamping aan de Thunersee. Van daaruit trekken ze, 2500 man sterk, op wedstrijddagen in een lange oranjemars naar het station waar drie speciale treinen klaar staan om hen naar Bern te vervoeren.
Ik nam een kijkje op die camping, meer een kamp haast, tent aan tent, met een opblaaspoort van Heineken, een eigen muntsysteem en een ordedienst. Het was middag en het regende. Uit een partytent aan het meer dreunde de disco. Er was, vanwege de regen, nauwelijks iemand te zien, maar je voelde dat hier een leger lag, dat elk moment gemobiliseerd kon worden. Het was de stilte voor de storm.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.