*

 

Zwaktes in beroepsopleiding

Wilma van Meteren − 07/03/08, 00:00

De opleiding voor de beroepspraktijk vertoont tal van zwakke plekken. Betere samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven is nodig, concludeert de Algemene Rekenkamer.

Bijna een op de vijf leerlingen in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) heeft moeite om een leerwerkplek te vinden. Dat illustreert dat er nog flinke obstakels zijn in de aansluiting van opleiding op beroepspraktijk.

De Algemene Rekenkamer, die anderhalf jaar – tot midden 2007 – de leerwerkpraktijk in het mbo onder de loep heeft genomen, is niet mals in zijn conclusies. De zogeheten beroepspraktijkvorming is te ’vrijblijvend’ en levert daardoor geen optimale prestaties. De samenwerking tussen betrokkenen is lang niet altijd wat ze moet zijn. De begeleiding van leerlingen en leerbedrijven schiet tekort. Hoewel discriminatie van allochtonen niet op grote schaal lijkt voor te komen, hebben ze het ’duidelijk’ moeilijker om een plek te vinden bij een leerbedrijf. Scholen maken weinig gebruik van arbeidsmarktanalyses van kenniscentra om leerlingen voor te lichten over kansen op een baan. Sinds jaar en dag nemen kappersopleidingen meer leerlingen aan dan er stageplekken zijn.

Het blootleggen van de zwakke plekken in de beroepspraktijkvorming is van belang omdat het mbo de meeste leerlingen telt en daarmee grootleverancier is van personeel voor bedrijven en organisaties. Vrijwel iedere verpleegkundige, slager, elektrotechnicus, metaalbewerker en monteur heeft een mbo-achtergrond. In 2006 volgde bijna een half miljoen jongeren een (verplicht) deel van zijn vakopleiding buiten de schoolmuren: 353.000 leerlingen via de beroepsopleidende leerweg (bol) – het grootste deel op school, daarnaast in een bedrijf – en 138.000 de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) – het grootste deel in een bedrijf. Bij het mbo ligt ook een sleutel tot het oplossen van het oplopende tekort aan vaklieden. Zo klagen bedrijven nu al dat ze nauwelijks technici en bouwvakkers kunnen vinden. Ze wijten dat onder meer aan verkeerde beroepskeuzes, en wijzen op het hoge uitvalpercentage in het mbo.

Reden voor het onderzoek van de Algemene Rekenkamer waren signalen over een tekort aan leerwerkplekken. Zonder deze praktijkervaring komt de hele mbo-opleiding van een jongere in gevaar. De Rekenkamer, die gisteren zijn rapport ’Beroepspraktijkvorming in het mbo’ naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, adviseert in de eerste plaats dat betrokkenen zelf beter de vinger aan de pols houden. Door betere begeleiding van leerlingen door scholen kan de praktijkvorming ’aan kwaliteit winnen’.

Het rapport bevat ook verhulde kritiek op de ministeries van onderwijs en van landbouw (verantwoordelijk voor het agrarisch onderwijs). Die laten scholen en kenniscentra de vrije teugel in de praktijkvorming. „Signalen over nadelen hiervan zijn de afgelopen jaren voor de bewindspersonen geen reden geweest om in actie te komen”, stelt de Rekenkamer. Het toezicht van de ministeries op de kenniscentra, die de kwaliteit van leerbedrijven moeten controleren, ’staat in de kinderschoenen’.

Staatssecretaris Marja van Bijsterveldt (onderwijs) reageert dat grootschalige veranderingen niet nodig zijn. Wel wil ze dit jaar nadere afspraken maken over betere begeleiding van mbo-leerlingen en de praktijkopleiders in bedrijven. Ook meent ze dat betrokkenen zich moeten voorbereiden op minder gunstige economische tijden waardoor leerwerkplekken kunnen wegvallen.

mailIcon print |