Er zitten plussen, maar ook minnen aan megabedrijven in de veehouderij, concluderen vier adviesorganen. Dat maakt het debat er niet eenvoudiger op .
Is de megastal in de veehouderij een logisch toekomstperspectief ? Of is een krachtig nee tegen deze schaalvergroting op z’n plaats?
Gisteren verschenen vier studies naar megabedrijven. Maar een duidelijk ja of nee op de vragen komt er niet. Het Milieu- en Natuur Planbureau (MNP), de Raad voor Dieraangelegenheden, het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en de Raad voor het Landelijk Gebied geven zowel voor- als tegenstanders argumenten.
De Tweede Kamer had om de adviezen gevraagd. Want de kwestie is actueel nu steeds meer ondernemers kansen ruiken en plannen ontwikkelen voor megastallen. Plannen die lokaal vaak tot de nodige maatschappelijke onrust leiden. Toevallig behandelde gisteravond de gemeenteraad van Horst, onder begeleiding van luid protest van lokale, regionale en landelijke actievoerders, een omstreden plan voor het nieuw gemengd bedrijf bij Grubbenvorst: 35.000 varkens en 1,2 miljoen kippen. Ter vergelijking: een gemiddeld varkensbedrijf telt nu 2000 dieren. En de gemiddelde pluimveehouder heeft in zijn kooien hooguit enkele tienduizenden leghennen.
De rapporten lijken de weg vrij te maken voor de nieuwe ronde ’schaalvergroting in de veehouderij’, zoveel plusjes zijn erin aan te treffen. „De voordelen zullen per saldo opwegen tegen de nadelen”, schrijft bijvoorbeeld het NMP in zijn conclusie. Landelijk en regionaal is de megastal geen extra aanslag op het milieu, omdat de ’megaboeren’ zich ook aan de milieunormen moeten houden. En als oude afgedankte stallen echt worden gesloopt, wint het landschap aan schoonheid, redeneert het NMP.
Het RIVM voegt eraan toe dat met de nodige aanpassingen en voorschriften megastallen helemaal niet slecht hoeven uit te pakken voor de volksgezondheid. De kans op infectieziekten is in de huidige praktijk misschien nog wel groter.
Maar wie in zijn achtertuin een megastal vreest, zal in de studies ook interessante tegenargumenten aantreffen. „Een megavleesbedrijf met luchtwasser leidt tot overschrijding van de geurnorm in een straal van 200 à 300 meter”, schrijft bijvoorbeeld het NMP. Fijnstof is ook een probleem. Megabedrijven hebben bovendien een ’negatieve landschapsbeleving, vergelijkbaar met industrieterreinen’. Daarbij is het NMP aanzienlijk minder optimistisch over de investeringen die megabedrijven zullen doen in milieu en innovatie dan landbouwminister Verburg en haar milieucollega Cramer. Eerst zien, dan geloven, redeneert het planbureau. Megabedrijven zijn er immers nauwelijks, over hun verdiensten is nog niks zinnigs te zeggen.
Het RIVM lijkt bovendien aan te sturen op een bedrijfstype dat haaks staat op de huidige maatschappelijke trend. Infectieziekten zijn het beste te voorkomen en te beheersen in gesloten bedrijven, is te concluderen uit het rapport. Maar juist deze bedrijven voeden de argwaan die veel burgers koesteren jegens de bio-industrie.
Transparantie is dan ook belangrijk, onderstreept de Raad voor Dieraangelegenheden. Daarbij maakt het voor kip of varken helemaal niks uit hoe groot de stal precies is. Leefruimte en verzorging zijn doorslaggevend.
Megabedrijven moeten daarom ’megagoed’ scoren qua diergezondheid en dierwelzijn, stelt de raad. Maar welke eisen dan moeten gelden, laat de raad in het vage.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.