Na de nationalisatie van Fortis en het ophogen van de garantie op spaartegoeden tot 100.000 euro zag minister Bos zich opnieuw genoodzaakt in te grijpen in de financiële sector. Maar dit keer wacht hij niet af tot de volgende instelling in de problemen komt. Er is per direct 20 miljard beschikbaar ter ondersteuning van de gehele sector, en mocht het nodig blijken dan wordt dit bedrag verder verhoogd.
Onmiddellijk rijst de vraag of de Nederlandse financiële sector er dan zo slecht voorstaat dat er een dusdanig grote reddingsoperatie voor nodig is om die overeind te houden. Bos is in elk geval niet de eerste die met een dergelijk noodplan is gekomen. Groot-Brittannië en Spanje kondigden eerder soortgelijke maatregelen aan, en Bos liet al doorschemeren dat er nog veel Europese landen zullen volgen. De Verenigde Staten riepen eerder al een noodfonds van 700 miljard dollar in het leven voor het noodlijdende bankwezen.
Dat geeft aan hoe wijdverspreid de problemen nu zijn. Waar de kredietcrisis zich in eerste instantie concentreerde op enkele zwakke banken en verzekeraars is nu het vertrouwen in de hele sector zoek. Hét probleem voor de financiële sector is dat dat gebrek aan vertrouwen feitelijk voortkomt uit de aard van het bankieren: er wordt meer uitgeleend dan er aan eigen vermogen op de balans staat. Dat model kan alleen bestaan bij de gratie van vertrouwen.
De afgelopen decennia is de financiële sector echter veel harder gegroeid dan de rest van de economie. Het uitgeleende geld en de uitstaande verplichtingen nemen navenant toe, terwijl er geen extra reële waarde tegenover staat. Dat moest een keer ophouden. Financiële instellingen lijden grote verliezen op risicovolle producten en dalende beurzen, wat het eigen vermogen doet verdampen.
Dat is op korte termijn niet zomaar om te draaien, want waar moet het geld vandaan komen als er geen vertrouwen meer is? Het is noodzakelijk dat overheden op zo’n moment inspringen: waar de markt faalt moet de overheid corrigerend optreden. Daarbij gaat het hier niet om gratis geld voor enkele onbesuisde banken en verzekeraars. De hele sector krijgt op deze manier tijd om de veel te grote risico’s en verplichtingen weer af te bouwen, terwijl de overheid er zorg voor draagt dat zij niet zomaar failliet gaan als gevolg van de algehele paniek.
Hoewel de precieze details van het voorstel nog niet bekend zijn, is al wel duidelijk dat de staat een aandelenbelang zal krijgen in een instelling die geld nodig heeft. Bos wil zetels in de raad van bestuur en commissarissen, en zal het beloningsbeleid voor bestuurders willen aanpassen. Dat lijkt, gezien de excessen die tot op heden hebben kunnen plaatsvinden, niet meer dan logisch. Maar het plaatst de regering bovendien in een buitengewoon geschikte positie om de noodzakelijk transformatie van de financiële sector vorm te geven.
Zodra de directe paniek voorbij is, moet immers gekeken worden hoe de financiële sector van de toekomst zal worden ingericht. Aan de ene kant bemoeit de overheid zich daarmee op het gebied van toezicht en gedrag in de markt. Maar als minister Bos in een deel van de Nederlandse financiële sector een flink aandelenbelang heeft, kan hij van binnenuit ook eisen gaan stellen. Via die twee wegen, en in overleg met collega’s in Europa in soortgelijke posities, kan er wellicht weer een sector ontstaan die het vertrouwen van de bevolking geniet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.