Hulpverleners komen en gaan in ontwikkelingslanden. Organiseer dat anders, zegt de WRR in een nog niet gepubliceerd rapport.
Doe als de Amerikanen en richt een aan de overheid gebonden organisatie voor ontwikkelingshulp op. In navolging van USAid, zou die NLAid kunnen gaan heten. Dan kan de hulp professioneler georganiseerd worden.
Dat is een conclusie uit het rapport ’Minder pretentie, meer ambitie' (met als ondertitel ’Ontwikkelingshulp die verschil maakt’) dat maandag door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wordt aangeboden aan minister Koenders (Ontwikkelingshulp).
Het zeer lijvige en doorwrochte rapport – er werden vele honderden gesprekken voor gevoerd in binnen- en buitenland – geeft zeer nadrukkelijk geen eenduidig antwoord op de vraag of ontwikkelingshulp in zijn algemeenheid helpt. Uit een van de laatste concepten van het rapport, waarover Trouw beschikt, blijkt dat het team van de WRR – Peter van Lieshout, Robert Went en Monique Kremer – die valkuil wenst te vermijden. Voor de beoordeling van de vraag of hulp heeft geholpen zal altijd naar het doel gekeken moeten worden. Als stabilisatie van een land het geopolitieke doel was, mag niet verwacht worden dat ontwikkeling de oogst is.
Ja, de afgelopen zestig jaar – de leeftijd van de ontwikkelingshulp – heeft ontwikkeling plaatsgevonden, zo constateren de opstellers van het rapport. Mensen leven langer, er gaan meer kinderen naar school, zo blijkt uit sociale indicatoren. Maar die leveren niet het bewijs dat dat het gevolg is van de hulp. Laat staan dat je de effecten van de Nederlandse hulp zou kunnen afzonderen uit een heel veld met andere donoren. Zestig jaar hulp laat zien dat het echte inzicht in wat helpt en wat niet, nog niet erg groot is, luidt de conclusie.
Er is veel geprobeerd en veel mislukt, zo staat in het concept-rapport. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken dat de raad tegen hulp is. Integendeel: het rapport is vooral bedoeld als een bijdrage aan zowel een beter begrip over de hulp als een duw in de richting van een effectievere besteding van het geld.
Op een nette, maar tevens duidelijke wijze wordt ontwikkelingshulp door de opstellers van het rapport getypeerd „als een vrijwillige gift van een rijke aan een arme waar de arme geen enkel recht aan kan ontlenen en waarvoor hij wordt verondersteld dankbaar te zijn. En dat ondanks alle discussies en retoriek over het zogeheten ownership van de ontwikkelingslanden.” Met ’ownerschip’ wordt bedoeld dat de ontwikkelingslanden zelf eigenaar zijn van hun eigen ontwikkelingsproces.
Als het gaat om de uitvoering van de hulp, de organisatie ervan, is de raad weinig vleiend. „De huidige organisatievorm is gestoeld op een mix van carrièrediplomatie en goede bedoelingen.” Met het eerste wordt gedoeld op de ambassades waar weinig continuïteit heerst omdat medewerkers met grote regelmaat weer vertrekken. Met goede bedoelingen worden de vele niet aan overheden gebonden hulporganisaties bedoeld. De raad ziet het liefst dat de ontwikkelingshulp los wordt gekoppeld van de ambassades en dat zo ontwikkelingshulpeenheden ontstaan, met een eigen personeelsbeleid en met specifieke deskundigheid. De opstellers van het rapport noemen die nieuwe organisatie NLAid. In de VS bestaat al geruime tijd USAid en de Britten, die al veel eerder een professionaliseringsslag hebben gemaakt, spreken van UKAid. Voor de particuliere hulporganisaties, al dan niet gesubsidieerd door de overheid, ziet de WRR ook verandering. Hun rol is niet uitgespeeld, maar dat wil niet zeggen dat zij automatisch overal voor ingeschakeld worden. De WRR ziet wel iets in een systeem van tendering, waarbij organisaties in concurrentie met anderen op projecten inschrijven.
De vlaggetjes met NLAid komen niet overal te staan. De WRR ziet vooral Afrika als het werkterrein. En Nederland moet zich ook niet overal meer mee bezig houden maar scherper kiezen voor bijvoorbeeld thema’s als water en landbouw.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.