*

 

Sinds ’Kevin & Co’ staan hulpverleners onder druk

Henriëtte Lakmaker, Mettmann − 07/12/07, 15:00

In Nederland staat de dood van het meisje Savanna symbool voor gebrekkige jeugdzorg. In Duitsland is dat ’Kevin & Co’. Om nog meer leed te voorkomen, wordt gewerkt aan een systeem vroege signalering.

Lukas, drie maanden oud, ’een wolk van een baby’ in het Duitse Hilden, kijkt vanuit zijn wieg met grote ogen naar het bezoek. Moeder Dominique staat er stralend naast, terwijl sociaal-pedagoge Karin Till hem al kirrend toespreekt. Lukas – vier weken te vroeg geboren – is een Beobachtungskind; hij wordt geobserveerd op medische indicatie. En op sociale indicatie: de moeder is niet ouder dan achttien.

Dus komt de sociaal-pedagoge van district Mettmann, ten oosten van Düsseldorf, op huisbezoek met een reeks aan vragen en met een stapel voorlichtingsmateriaal. Niet dat ze zich zorgen over Lukas hoeft te maken: Dominique luistert aandachtig, vertelt uitvoerig over de bevalling en de steun van haar ouders en haar vriend, en toont geen greintje onzekerheid over het moederschap. „Je bent een rustig mens, dat draag je over, denk ik”, zegt Till. Dominique knikt. De jonge moeder vindt het prima dat de hulpverlening langskomt. „Ik ben niet van de jeugdzorg, ik ben niet van de sociale dienst, ik ben van de gezondheidszorg”, zegt Till nog eens met nadruk.

Maar ze werkt wel nauw samen met de jeugdzorg. Dat is het streven in heel de deelstaat Noordrijn-Westfalen. In verschillende districten zijn projecten met het ’vroege signaleringssysteem’, waarbij vroedvrouwen, verpleegkundigen, artsen, crècheleidsters, onderwijzers en pedagogen zoveel mogelijk samenwerken en alert zijn op medische en sociale problemen van een kind.

Vroege signalering staat de laatste jaren hoog op de politieke agenda van de CDU/FDP-regering in de deelstaat, en niet voor niets. In oktober 2006 werd elders in Duitsland de dode peuter Kevin gevonden, in de ijskast. Het geval van de zwaar mishandelde jongen bracht een schokgolf door Duitsland teweeg, waar al meer tragische gevallen bekend waren, niet of te laat onderkend door een kennelijk machteloos zorgsysteem. Daar is nu sinds deze week de vijfjarige Lea-Sophie uit Schwerin bij gekomen.

Sinds ’Kevin & Co’, zoals de Duitse ’Savanna’ heet, is er, vertelt Till, al permanent een ’innerlijke druk’ in haar en haar collega’s, ingegeven door de angst iets over het hoofd te zien.

Aan haar precisie kan het niet liggen. Zij toont schriftjes en uitgebreide invulformulieren, waarin ouders gegevens moeten bijhouden over voeding en ontwikkeling. Anders dan in Nederland komt in Duitsland niet ieder kind vanzelfsprekend op een consultatiebureau. In veel deelstaten moeten ouders regelmatig met hun kind langs bij de kinderarts. „Maar dat contact verwatert met de zestigste maand”, zegt Till. Haar bureau laat het – anders dan veel andere districten – daar niet bij zitten en stuurt een vriendelijke doch dringende oproep. Bij geen reactie volgt er nog een brief, een telefoontje, en desnoods een bezoek, met kleine cadeautjes. Daarmee bereikt Mettmann zo’n 95 procent van de ouders. Als hulpverleners reden hebben tot zorg omdat ze het gezin kennen, kunnen ze waarschuwen dat de ambtenaar gezondheidszorg elk moment de jeugdzorg kan inschakelen.

Maar dan. Want melden is niet verplicht, en als ouders niet thuis geven staan hulpverleners met lege handen.

Verontrust door de Kevins & Co wil de Noordrijn-Westfaalse minister van gezin, Armin Laschet, nu wel degelijk dat ouders verplicht worden zich te melden bij de arts. Doen ze het niet, dan moet de arts de hulpverlening waarschuwen, vindt Laschet.

Dat plan stuit bij veel medici op grote bezwaren, zegt Rudolf Lange, arts bij district Mettmann. Niet alleen botst dat met hun geheimhoudingsplicht, maar, zegt Lange: „Ik vraag me af of hier geen sprake is van een politieke misvatting. Je merkt echt niet alle mishandelingen of verwaarlozingsgevallen op.”

Bovendien is melding nog geen garantie dat er ook iets gebeurt in de zeer versnipperde Duitse zorg, zegt Lange: procedures en protocollen zijn overal net weer anders. „Veel jeugdzorgcentra onderhouden slecht contact met de plaatselijke gezondheidszorg, en vice versa.” Till: „En men kan vandaag op huisbezoek geweest zijn, en morgen mishandelt moeder hem.”

mailIcon print |