Aan het tuinhek hangt een plastic zakje vol brood. „Dat krijgen we elke dag van onze buren”, zegt Bozana Djukie (63) als ze haar opgeruimde tuintje met rozenstruiken inloopt. Tijdens de oorlog weigerde ze samen met haar man Radovan (65) om hun huis te verlaten. Nu zijn ze de enige Serviërs die in een Albanese wijk in Kosovo Polje wonen. „We hebben goede buren maar toch ben ik elke nacht bang dat de Albanezen in onze straat ons komen halen”, zegt Bo*zana.
Binnen zit Radovan stilletjes in een oude kantoorstoel met zijn voeten omhoog. Hij heeft last van een te hoge bloeddruk en is verlamd aan zijn been. Spreken gaat hem moeilijk af: „Ik krijg een pensioen van 40 euro daar moeten we mee rondkomen." Bozana vult hem aan: „We krijgen enorme rekeningen voor de paar uur elektriciteit en water die we hebben. De vaste telefoonlijn hebben we maar opgezegd omdat we 60 euro moesten betalen voor de periode dat we in Belgrado waren toen mijn man daar in het ziekenhuis lag!” Bozana denkt dat de lokale Albanese instanties hun extra belasten.
In de huiskamer staat het bed van Radovan. Daarboven hangt een familiefoto. Hun kinderen, allebei in de dertig, zijn na de oorlog gevlucht naar Servië en Montenegro. Ze hebben allebei een jong gezin maar geen baan.
Bozana: „Ze konden hun kinderen hier niet naar school laten gaan of op laten groeien. Ze waren bang voor de Albanezen!”
De statuskwestie en de verkiezingen interesseren haar niet. Ze vindt dat de huidige Albanese autoriteiten de Serviërs in Kosovo geen kans geven op een goed leven.
„Al honderd keer hebben Albanezen hier voor de deur gestaan om ons huis te kopen. Maar ik ze allemaal weggestuurd”, schreeuwt Bozana, „maar als ze morgen komen dan mogen ze het hebben en dan vertrek ik met mijn man naar Servië. We zijn het gewoon zat hier.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.