De Verenigde Staten mogen vijf Mexicanen die in dat land de doodstraf hebben gekregen, voorlopig niet executeren. Dat heeft het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag woensdag in kort geding bepaald.
Voor een van de Mexicanen, José Medellín, was de executie al gepland voor 5 augustus. De vijf Mexicanen waren in de VS ter dood veroordeeld zonder dat zij na hun arrestatie tijdig de gelegenheid hadden gekregen tot contact met hun ambassade of consulaat om te vragen om rechtsbijstand.
Daar hadden zij recht op volgens de Weense Conventie over Consulaire Betrekkingen. Die moet bescherming bieden aan mensen die in het buitenland worden opgepakt en te maken krijgen met een vreemde taal en een onbekend rechtssysteem.
Daarom had het ICJ in 2004 bepaald dat de Mexicanen een kans moesten krijgen op heropening van hun zaak. Volgens Mexico is dat echter nog niet gebeurd. De VS en Mexico verschillen van mening over wat er na de uitspraak van 2004 precies moest gebeuren. Daarover loopt een bodemprocedure ter interpretatie van het arrest die nog maanden in beslag zal nemen.
Aangezien de eerste executie al voor 5 augustus gepland staat, had Mexico betoogd dat er sprake is van spoed en dat er ,onherstelbare schade’ dreigt te ontstaan. Daarom bepaalde het hof dat de VS alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om de executie van de vijf Mexicanen te voorkomen zolang er geen uitspraak is in de bodemprocedure.
De VS hadden gesteld dat het ICJ om formeel juridische redenen in deze zaak niet bevoegd is om in kort geding een bindend bevel uit te vaardigen. De hoogste VN-rechters in het Vredespaleis gingen daar echter niet in mee.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.