*

 

'Soeharto heeft tien jaar van mijn leven gestolen'

FRANS DIJKSTRA − 11/01/08, 17:46

Hij is 62, zijn haar is grijs, verder is er niets ouds aan hem. "Soeharto heeft tien jaar van mijn leven gestolen. Dus eigenlijk ben ik 52", zegt Setiawan Hersiri lachend.

Die tien gestolen jaren bracht hij door op de betonnen vloer van militaire gevangeniscellen en op het verbanningseiland Boeroe, zeven dagen en nachten varen van Jakarta. Wat hij precies heeft misdaan, is al die tijd onduidelijk gebleven. Hij weet alleen dat zijn naam is genoemd door een vroegere vriend die verklikker was geworden. En dus kwam schrijver en vertaler Hersiri vast te zitten.

Hij voelt geen wrok tegen Soeharto. “Nee, ik voelde me niet de gevangene van Soeharto. Ik zat vast vanwege het militair-politieke systeem. ”

Toch is hij nu dolgelukkig dat Soeharto weg is. “Dat is een groot succes. Ik ben er trots op dat de bevolking eindelijk zijn macht heeft gebroken. Tot voor kort had niemand dat voor mogelijk gehouden. We dachten dat we zouden moeten wachten op zijn dood.”

Hersiri zit al jaren in Nederland, een beetje geïsoleerd in het Utrechtse dorp Kockengen. Zijn dochter, die in de vijfde van het vwo zit, houdt hem hier. “Anders was ik misschien al terug geweest naar Indonesië. Ik mis hier de ruimte, geestelijke ruimte. Ik mis de lange gesprekken met vrienden.”

Hij kan zich nog het geweldige gevoel van vrijheid herinneren toen hij in Nederland aankwam. Hij dichtte, oorspronkelijk in het Indonesisch:

“in een schoot van witte wolken stroomt de lucht en stroomt

gestreeld door een rusteloze wind ruisen de toppen van het riet hun eeuwig lied

zacht door vrijheid gewiegd zwerf ik zwijgend door de wereld rond''

Vorig jaar was hij even terug in Indonesië, onder bescherming van zijn Nederlandse paspoort en een Nederlandse vriendin. “Ik was toen al heel verbaasd hoe vrij de mensen praatten in Jakarta. Ik vertrouwde het eerst niet. Een taxichauffeur sprak heel openlijk en boos dat er een gewapende opstand moest komen. Ik hield me stil, want ik dacht dat hij een provocateur van de inlichtingendienst was. Later merkte ik dat veel meer mensen zo spraken. Het regime had het niet meer in de hand.”

In de gevangenis heeft Hersiri geleerd op zijn hoede te zijn. “Ik kon niemand vertrouwen. Ik heb mijn geloof in kameraadschap en solidariteit verloren. Ik deelde alles met de anderen, maar de anderen deelden niet. En het was gevaarlijk om vrijuit te praten. Alleen alledaagse dingen durfde ik te bespreken.”

Aanvankelijk leek het zo erg niet. Hersiri was vijf jaar lang vertegenwoordiger van het jonge, idealistische Indonesië geweest bij de Afro-Aziatische schrijversbeweging die was gevestigd in Sri Lanka. Toen hij in 1965 terugkeerde in Indonesië was alles anders. “Het politieke aroma was zo gespannen. De communistische partij was sterk en het gonsde van de geruchten. Toen ik Indonesië in '61 verlaten had was dat de partij van de onderkant van de samenleving geweest. Maar in '65 bleken ineens de intellectuelen trots te zijn op de communistische partij. Ik was geen lid maar ik keek vol verwondering naar alle beweging in Jakarta. Ik voelde me wel revolutionair, al deed ik niet veel meer dan pamfletten maken.”

Maar Soekarno, die hij bewonderde, moest plaats maken voor Soeharto, de generaal. Hersiri's vrienden werden opgepakt. Menigeen verdween spoorloos, voor altijd. “Ik wist dat ik ook aan de beurt zou komen.”

Dat duurde nog verscheidene jaren, misschien wel doordat hij woonde bij zijn jongere broer, die officier bij de marine was. Uiteindelijk pakte de inlichtingendienst van de marine hem. “Het ging heel Javaans. De inlichtingendienst verzocht mijn broer om mij over te dragen. Op die manier lieten ze mijn broer erkennen dat ik een vijand van de natie was. Pas veel later hoorde ik dat mijn broer uit de dienst ontslagen is. Hij heeft daarna nooit meer een baan gekregen.”

Hersiri werd drie dagen ondervraagd. Ze lieten me een foto zien. “Daar sta jij met mensen van een communistische missie naar China en Noord-Korea. Ik kende die foto. Hij was gemaakt op een feestje in de Indonesische ambassade in Sri Lanka en ik stond te praten met de ambassadeur van Indonesië! Ik zei: zie je die man daar, dat is de eerste secretaris van de ambassade, nu is hij minister van religieuze zaken. Maar dat wilde de ondervrager niet horen, hij wilde een bekentenis.”

Toch had Hersiri het redelijk goed in de cel van de marine-inlichtingendienst. Hij schreef een scriptie voor een officier, die daarmee goede sier maakte, en in ruil kreeg hij steeds boeken om te lezen. Toen werd Hersiri overgeplaatst naar een cel van het leger. “Er was nog geen matje om op te slapen. Als het etensbord door de tralies werd geschoven kreeg ik al braakneigingen, zo stonk het. We kregen rijst met wat wij sajoer kapala noemden; hoofdsaus. Want als je erin keek, zag je je eigen hoofd. Het was water met één of twee blaadjes groente. Soms kregen we een schijfje papaja, zo dun dat je er doorheen kon kijken. Sajoer plastic, heette dat. Ik telde elke lepel rijst. Zeven lepels. Nooit meer.”

“Er zijn zoveel mensen gestorven. Door martelingen, door honger en ziekte. Ze zijn nooit geteld. We zullen het nooit weten.”

Hersiri is er na tien jaar genadig van af gekomen. Hij heeft het aan zijn maag en hij is aan één kant zijn gehoor verloren door mishandelingen. Terug in Jakarta lachte het geluk hem toe. Hij won een wedstrijd in het schrijven van een wetenschappelijk artikel. “Ik kreeg drie miljoen roepiah, toen een heel kapitaal, een tv en een medaille. Mijn naam stond in de kranten en zelfs op tv werd ik genoemd. De mensen die nog gevangen zaten, hoorden dat en het gaf hun moed. Dat een politiek gevangene weer meetelde, dat had nooit iemand verwacht.”

Het geluk was van korte duur. Toen hij bezig was aan het zesde deel van een boekenserie over Javaanse volksverhalen, kreeg zijn uitgever bevel van hogerhand om het contract met hem te verbreken. “Het was weer een tijd van sociale onrust. Iedereen waarvan ze dachten dat hij links was, kreeg het weer moeilijk.”

Hij was inmiddels getrouwd met een Nederlandse vrouw die zijn hulp had gezocht bij een onderzoek naar de zeventiende eeuwse specerijenroutes. Toen zij ernstig ziek werd, verhuisde het paar met kleine dochter naar Nederland. “Ik had nooit naar Nederland gewild, ook niet toen het moeilijk werd. Maar die ziekte liet ons geen keus.”

Ze logeerden op een woonboot. “Wat heb ik het koud gehad. Ik zat altijd dicht bij de kachel en ik sliep met een dikke muts op.” Later kregen ze een huis op het Utrechtse platteland.

Wat hem in Nederland opviel is hoe goed de geschiedenis wordt bewaard. “Overal zijn er musea, zelfs katten hebben een museum. In Indonesië is alle geschiedenis weggevaagd. Alleen de Nieuwe Orde van Soeharto bestaat nog.”

De jonge generatie die de zet heeft gegeven tot het vertrek van Soeharto, weet weinig van de geschiedenis. Ze praten over berechting van Soeharto omdat hij zoveel miljarden heeft verduisterd. Maar over alle doden van zijn Nieuwe Orde spreken weinigen. “Ze zijn het product van levenslange indoctrinatie. Ze zijn allergisch voor alles wat een beetje links is”, denkt Hersiri.

Hij vindt eigenlijk dat Soeharto berecht zou moeten worden. Aan de andere kant verwacht hij dat de generaals dat nooit zullen accepteren. “Voor hen is Soeharto nog altijd een meerdere. Als Soeharto wordt aangepakt, zijn de gevolgen niet te overzien.”

mailIcon print |