*

 

Saddams slachtoffers vertellen

Judit Neurink, Suleymania − 20/01/09, 20:00

Slachtoffers en daders van Saddam Hoessein verhalen over dertig jaar geweld tegen burgers. Martelingen, afgehakte ledematen, moorden.

„We willen de cirkel van geweld doorbreken door slachtoffers en daders aan het woord te laten.” Kurdistan Daloye van het Iraakse Geschiedenis-Project knikt ernstig, in haar kantoor in het Noord-Iraakse Suleymania. Ze geeft leiding aan een project waarbij zevenduizend persoonlijke verhalen over gruwelijkheden onder het regime van Saddam Hoessein zijn verzameld en opgeschreven. „Om herhaling te voorkomen.”

De verhalen over martelingen, het afhakken van lichaamsdelen, moorden, verkrachtingen, het gebruik van gifgas, interne verbanning en het droogleggen van de moerassen zijn via Iraakse vluchtelingen wel deels tot het Westen doorgedrongen. Maar in Irak weten bijvoorbeeld veel mensen in het zuiden niet wat Saddam de Koerden heeft aangedaan, en omgekeerd. „Het was verdeel en heers. Koerden werden begraven in het zuiden, sjiieten in het noorden. Zodat er geen verbanden waren.”

Dat gebrek aan verbanden speelt Irak nu parten, bij de huidige sektarische geweldsgolf die het land overspoelt. „Onder Saddam was het geweld niet religieus. Dat was Saddam en zijn regering tegen de rest. Ook soennieten die zich tegen hem keerden, werden opgepakt en gemarteld”, stelt Daloye vast.

Omdat religie toen geen rol speelde, moet volgens haar verzoening mogelijk zijn – al lijkt dat in tegenspraak met het huidige geweld. Maar het is nog niet te laat, en daarom hoopt ze dat de Iraakse overheid haar project zal gaan gebruiken om aan die verzoening te werken. Daarvoor moeten de Irakezen de waarheid en de details van het verleden kennen en die dus niet meer kunnen ontkennen, stelt ze.

Daarom worden alle verhalen binnenkort gebundeld uitgebracht in het Koerdisch, Arabisch en Engels.

De Koerdische Daloye groeide op in Engeland, en voert het project uit voor de Amerikaanse DePaul Universiteit. Op het hoogtepunt van het project had ze zeventig interviewers die in heel Irak verhalen verzamelden. Zonder opnameapparatuur, want dat was in dit land van verklikkers en onderdrukking te gevoelig. Zo komen in de publicaties alleen geanonimiseerde namen voor, om zowel slachtoffers als daders te beschermen.

Opvallend is dat ook die laatste groep aan het woord komt. „Die details hoor je anders nooit”, beaamt Daloye. „Gebleken is dat de daders eerst bang waren om te doen wat hen werd opgedragen, maar dat het martelen al snel routine werd. Nu hebben de meesten spijt.”

Zelf vindt ze de verhalen nog steeds schokkend. „Mijn haren gaan iedere keer als ik ze lees weer overeind staan”, zegt ze, wijzend naar haar blote arm. „Ik moet er om huilen. Maar ik kan niet meer doen voor de slachtoffers dan het opschrijven. Dat is een eerste stap om een schadevergoeding voor ze te krijgen.”

Want ze stelt vast dat velen alles verloren hebben en in diepe ellende leven. Studenten die werden opgepakt, kregen nooit meer een baan, anderen verloren hun huis. Vrouwen die vanwege het politieke activisme van hun man door de martelaars werden verkracht, werden daarna meestal door hem verstoten.

„Er is door Saddams geweld een gemeenschap van onontwikkelden ontstaan, met veel trauma’s, die zorg en verzorging nodig hebben.” En dat is volgens haar een andere voorwaarde voor verzoening.

Het is voor het eerst dat deze slachtoffers een stem krijgen. En de meesten wilden graag praten, want dat konden ze nooit, zegt Daloye. „Door ons project weten de gezinnen zelf nu ook wat er gebeurd is. En dat een vrouw die verkracht is, zelf niet crimineel is.”

mailIcon print |