*

 

Hoe kan ik ooit voor God staan?

Soehair Karam − 23/01/09, 18:22

Na het einde van de oorlog dwaalt correspondent Soehair Karam door de Gazastrook, om de verwoestingen te documenteren en verhalen op te tekenen. Zoals dat van Amal, die zich schuldig voelt omdat haar neef dood is.

Eindelijk was de oorlog vorige week zaterdag afgelopen, maar nog steeds kan ik amper geloven dat het echt waar is. Ik hoor nog steeds het lawaai in mijn oren– zelfs het vallen van een druppel water klinkt als een bom.

Ik weet niet wat er met me aan de hand is. Mijn lichaam is compleet uitgeput, en van binnen heb ik overal pijn. Misschien was de oorlog erger dan een nachtmerrie. Elke dag was een nachtmerrie, 23 dagen achtereen.

Sinds de oorlog is afgelopen ben ik naar verwoeste plekken in de Gazastrook geweest, en van elk verwoest huis maak ik minstens vijftig foto’s. Op weg naar Jabalja zag ik van de week plotseling weer mensen rennen. Ik dacht dat ze aan het rennen waren vanwege een projectiel, maar vroeg me direct af hoe dat kon nu de oorlog toch afgelopen was.

Ik vroeg iemand in de straat wat er aan de hand was. Hij vertelde me dat de mensen het lichaam van een dode man hadden gevonden onder het puin. Ik volgde de mensen en rende over kleine paadjes naar het huis van de familie van de man, waar de vrouwen op het lichaam van de 25-jarige Belal Nabhan wachtten. Zijn moeder Karima en de rest van de familie gilden, schreeuwden: „Ze hebben hem vermoord, ze hebben hem vermoord.”

Ik probeerde met de moeder te praten om uit te vinden wat er was gebeurd. Ze vertelde dat haar zoon op de eerste dag van de oorlog naar het huis van zijn nicht Amal was gegaan om haar en haar man en kinderen mee te nemen naar het huis van de familie. De beschietingen waren dicht in de buurt van Amal’s huis.

Zijn familie wachtte en wachtte, en belde ten slotte alle ziekenhuizen, maar niemand kon uitsluitsel geven over het lot van de jongen. Belal lag begraven onder het puin, en niemand weet wanneer of waar hij precies zijn laatste adem heeft uitgeblazen.

Zijn nicht Amal kon niet ophouden met huilen. „Belal probeerde me te redden, hij dacht dat ik in gevaar was. Maar hij werd vermoord, niet ik. Ik ben de reden waarom hij dood is, ik zal mezelf nooit kunnen vergeven. Hoe kan ik ooit voor God staan?

Later kwam ik langs een begraafplaats waar ik jongetjes zag die speelden naast de grafstenen. Zeven jongens renden naar me toe en probeerden mijn camera te stelen, een andere jongen stopte zijn hand in mijn linkerzak om er geld uit te halen. Ze zagen er uit als straathonden die nog nooit een mens hadden gezien. Hun kleren waren gescheurd, ze droegen geen schoenen.

Op dezelfde plek zag ik vier oude vrouwen rondom een grafsteen. Een van hen vertelde dat ze aan het bidden waren voor de ziel van haar echtgenoot Khalil, zestig jaar oud. Hij werd gedood tijdens de beschietingen op Jabalja, zijn lichaam werd naar het mortuarium gebracht. Op dezelfde plek zag ik een enorm gat in de grond, vernielde grafstenen, stukken munitie. Israël bombardeer ook de begraafplaats tijdens de oorlog.

Het begon donker te worden, dus verliet ik de begraafplaats om naar huis terug te keren. Ik voelde me heel ziek en alleen, de verhalen die ik had gehoord maakten me depressief.

Mijn moeder was aan het wachten, ze had me vergeefs gebeld; het mobiele netwerk is nog heel zwak. Ze vroeg: „Waar ben je toch al die tijd geweest, en waarom zie je zo bleek? Ik vertelde haar de verhalen van de doden, de ongelofelijke en ontelbare tragische verhalen. Het was 3 uur voor ik, met hulp van valium, kon slapen.

Elke dag ga ik naar de Strook en luister naar de verhalen. En elk verhaal is anders.

mailIcon print |