*

 

De familie ís niet failliet

Sander Becker − 24/12/11, 21:00

KERSTSPECIAL DE FAMILIE - Het individualisme heeft genadeloos toegeslagen: ouders gaan uit elkaar, kinderen groeien op in gebroken gezinnen en opa's en oma's kwijnen weg in tehuizen. Familiewaarden? Aandacht voor onze naasten? Grotendeels verdampt, denken we. Maar deskundigen zien voor dit sociale gesomber weinig grond.

In Zuid-Europa, dáár weten ze nog wat familie is. Je ziet het voor je: het zonovergoten Toscaanse landschap, de picknicktafel vol goddelijke pasta's en wijnen, en daaromheen, in opperste harmonie, alle generaties uit een grote, gezellige, warme, levenslustige familie - smullend, spelend, dansend, duttend...

Het typische Bertolli-gevoel, kom daar eens om in het kille Nederland. Bij ons zijn de familiebanden sinds de jaren zestig hopeloos verwaterd. Hier is het steeds meer 'ieder voor zich'. Grootouders, kinderen, kleinkinderen, ooms, tantes, ze wonen ver uit elkaar en hebben onderling hoe langer hoe minder contact. Mag zo'n hoopje los zand nog 'familie' heten? Zijn familiebanden überhaupt nog iets waard als je met de buurvrouw vertrouwelijker omgaat dan met je neef uit de andere hoek van het land?

Beeldvorming
De familie is failliet. Althans, dat idee heeft zich genesteld in de beeldvorming van de moderne Nederlander. Maar vraag sociologen ernaar, en ze wuiven de klaagzang weg. Wetenschappelijke metingen waaruit blijkt dat de boel in rap tempo uiteenvalt, zijn er niet. En gegevens die wel voorhanden zijn, suggereren bepaald niet dat de familie op sterven na dood is.

De misvatting tekent zich het duidelijkst af rond de ouderen. Vooral die lijken het slachtoffer van de sociale versnippering. Uit het zicht, opgehokt in troosteloze tehuizen, slikken zij hun eenzaamheid weg met een armetierig glaasje advocaat. Het schuldgevoel is collectief: vergeleken met die warme Italianen laten wij noorderlingen onze oude ouders genadeloos barsten.

Is de Italiaanse eenzamer dan de Finse?
Maar dit is een hardnekkig vooroordeel, weet sociaal-demografe Tineke Fokkema. Bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) doet ze onderzoek naar eenzaamheid in internationaal perspectief. "Aan het begin van elke lezing over eenzaamheid stel ik de vraag: 'Wie zou er eenzamer zijn, een Italiaanse of een Finse oudere vrouw?' Iedereen denkt: 'De Finse.' Maar uit een flinke stapel onderzoek is gebleken dat het precies andersom is: Noord-Europese ouderen zijn minder eenzaam dan Zuid- of Oost-Europese."

In Noord-Europa, met zijn nadruk op individualisme en zelfontplooiing, noemt 13 procent van de 50-plussers zichzelf eenzaam. In het traditionele, sterker op familiewaarden gerichte Zuid-Europa blijkt het probleem groter: 21 procent. Oost-Europa, waar het orthodoxe familiegevoel veruit het stevigst geworteld is, scoort met 23 procent nog bedroevender. Nederland staat met 11 procent aan de gunstige kant.

Ongunstige score Oost-Europa
De eenzaamheidscijfers zijn in 2006 en 2007 verzameld in het kader van een groot Europees onderzoek, SHARE geheten. De ongunstige score van Oost-Europese ouderen viel toe te schrijven aan hun slechte gezondheid en hun armoede. Voor het verschil in eenzaamheid tussen Noord en Zuid was geen afdoende verklaring te vinden. Wel is duidelijk waar het níet aan ligt. "De contactfrequentie tussen ouderen en hun volwassen kinderen is overal in Europa vrijwel even groot", zegt Fokkema. "Hetzelfde geldt voor de steun die ouderen van hun kinderen krijgen." Noord en Zuid doen qua ouderliefde dus geenszins voor elkaar onder.

Maar in het Zuiden en Oosten wonen ouderen toch vaak bij hun kinderen in huis? Garandeert dat geen warm sociaal bad? Niet per se, licht Fokkema toe. "Nederlandse ouderen geven aan dat ze niet graag bij hun kinderen zouden wonen. Zo ideaal is dat kennelijk niet." Bovendien: ook te midden van je kinderen kun je eenzaam zijn. Dat hangt vooral af van de kwaliteit van de contacten, en van je verwachtingspatroon. "Misschien verwachten Italiaanse ouderen gewoon te veel van hun kinderen en kleinkinderen, terwijl Finse ouderen denken: 'Ach, ze wonen ver weg, ik ben al blij als ze één keer in de maand langskomen.' Dat moeten we nog nader onderzoeken."

Ouderen

Nederlandse ouderen voelen zich in elk geval niet massaal in de kou gezet. Sinds de jaren zeventig, toen er voor het eerst werd gemeten, is de eenzaamheid onder 50-plussers dan ook niet toegenomen. "Op zeer hoge leeftijd gaan ouderen weliswaar relatief vaak naar een tehuis", vult Fokkema aan. "Maar het idee dat ze door familie aan hun lot worden overgelaten, klopt niet."

De 'bovenkant' van de familie zit dus nog stevig aan de rest vast. En hoe zit het met de kwetsbare 'onderkant': de kinderen? Ook zij komen volgens de heersende gedachte aandacht tekort. Beide ouders zijn immers noodgedwongen aan het werk, waardoor ze zich nauwelijks om hun kroost kunnen bekommeren. Eind november werden ze daarover nog gekapitteld door Marja van Bijsterveldt, minister van onderwijs. Die vond dat werkende ouders zichzelf meer moesten opofferen, zodat ze hun kinderen eindelijk weer fatsoenlijk konden opvoeden.

Aandacht voor de kinderen
Krijgen kinderen zware klappen van de moderniteit? Die overtuiging leeft kennelijk tot op het hoogste politieke niveau. Maar het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft er deze zomer gehakt van gemaakt, onderbouwd met cijfers. In zijn Gezinsrapport meldde het bureau verrassend genoeg dat werkende moeders en vaders tegenwoordig bijna twee keer zoveel tijd aan hun kinderen besteden als in 1980. Moeders steken nu een kleine veertien uur per week in de zorg voor hun kinderen; vaders ruim zes uur. In plaats van een terechtwijzing was een schouderklopje vanuit Den Haag misschien meer op zijn plaats geweest.

Toch heeft het moderne gezinsleven volgens sociologen wel degelijk ook een nadelige kant. Eén op de drie huwelijken loopt op een scheiding uit. Daardoor zien elk jaar meer dan 33.000 kinderen een biologische ouder uit huis vertrekken. Het gevolg is dat ongeveer een kwart van de 15-jarigen met nog maar één van zijn biologische ouders in huis leeft. Vergeleken met de jaren vijftig is dat een dramatisch grote groep. Maar in een breder historisch perspectief valt het mee, relativeert Aat Liefbroer, hoofd van de afdeling Sociale Demografie van het NIDI en bijzonder hoogleraar demografie van jongvolwassenen en intergenerationele overdracht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. "Anderhalve eeuw terug had ook een kwart van de 15-jarigen maar één ouder thuis."

Scheiding
Het probleem had destijds een andere oorzaak: honderdvijftig jaar geleden misten kinderen vaak een ouder omdat die voortijdig was overleden. Tegenwoordig leven beide ouders meestal nog, alleen wonen ze in een ander huis. Uit recent onderzoek blijkt weliswaar dat kinderen daaronder lijden en slechter gaan presteren op school, maar Liefbroer benadert het van een andere kant. "Je kunt dramatisch doen over een scheiding, maar zo'n situatie biedt ook kansen. Met een beetje geluk kan een kind dubbel profiteren van het inkomen, de ervaring en het netwerk van de ouders. En als er stiefouders bijkomen, worden die mogelijkheden nog groter."

Maar dat is niet het heersende gevoel, beseft Liefbroer. De algemene indruk is dat de vele scheidingen bijdragen aan de toch al dreigende ondergang van de familie. Dat komt volgens de hoogleraar doordat veel mensen de jaren vijftig als ijkpunt nemen. Toen heerste hier nog het echte kerngezin: vader verdiende het geld, moeder zorgde voor de kinderen. "Het was de culminatie van een burgerlijk ideaal dat vanaf de 19de eeuw langzaam doorsijpelde van de hogere klassen naar het volk. Het hoogtepunt heeft maar kort geduurd. Mensen hebben de neiging om die jaren sterk te idealiseren. Tegelijk stellen ze zich de huidige tijd overdreven slecht voor. Zo krijgen ze het gevoel dat het allemaal minder wordt."

Ganzenbord
Maar hoe gezellig was het nou helemaal in zo'n ganzenbordend gezin uit de jaren vijftig? En zijn moderne Nederlanders echt zo monsterlijk op zichzelf gericht? Liefbroer zou het niet kunnen zeggen. Gegevens over familiebanden door de tijd ontbreken grotendeels. Als wetenschapper moet hij daarom genoegen nemen met recente peilingen en met internationale vergelijkingen tussen moderne en traditionele samenlevingen. Zulke studies wijzen er niet op dat de waarde van de familie afkalft.

Wat wel verandert, is de motivatie waarmee familieleden elkaar helpen. Allochtone Nederlanders met een traditionele achtergrond zeggen vaak dat ze steun verlenen omdat het zo hoort. Autochtone, modernere landgenoten doen het meer uit eigen beweging, bijvoorbeeld omdat ze een prettige band met iemand hebben, of omdat het een goed gevoel geeft. "De hulp blijft, maar het verplichte karakter verdwijnt", constateert Liefbroer. "Ik zie daarom geen reden tot somberheid over de waarde van familie."

Ruzie als meerwaarde
Sterker nog, recente enquêtes onder duizenden Nederlanders hebben Liefbroer ervan overtuigd dat familie een belangrijke functie vervult en zal blijven vervullen. Hij doelt op de zogeheten NKPS-studie, een onderzoek naar familiebanden dat sinds 2002 loopt. In de enquête werd onder meer gevraagd naar kortdurende ruzies tussen familieleden. Zulke ruzies blijken voor een groot deel te gaan over normen en waarden. "Daarin schuilt denk ik de meerwaarde van familierelaties ten opzichte van andersoortige relaties", zegt Liefbroer. "De familie is een podium waar verschillende generaties met andere gedachten serieus met elkaar in gesprek gaan. Je krijgt er tegenspraak. Waar anders in de maatschappij vind je dat?"

Op school, op het werk of bij vrienden misschien? Dat is toch anders, vindt de hoogleraar. Vrienden kies je zo uit dat ze qua opvattingen op je lijken. Dat geldt in zekere mate ook voor collega's met wie je veel omgaat. Maar familieleden kies je niet, daar moet je het mee doen. En dat botst soms hevig. "Die conflicten kun je wegzetten als iets negatiefs", zegt Liefbroer. "Maar je kunt er ook een mogelijkheid in zien om met elkaar in discussie te gaan over de wezenlijke zaken van het leven."

Alleenstaande vaders
Een en al hosanna is het overigens ook weer niet met de familiebanden. Het gaat niet vanzelf goed. De vele scheidingen illustreren dat. Vooral vaders moeten het bekopen. Want volgens het traditionele rolmodel gaan de kinderen na een scheiding toch meestal bij hun moeder wonen. De vaders blijven dan alleen achter. "Aanvankelijk hebben ze daar nog niet zo'n last van", zegt eenzaamheidsonderzoekster Fokkema. "Maar zeker als ze wat ouder worden, zie je toch dat ze minder contact met hun kinderen hebben en weinig steun ontvangen. Ook weer niet alles is dus mooi. Het huwelijk, familiebanden... je moet er wel in willen investeren."
mailIcon print | |

Plaats een reactie!

Deel jouw mening met de andere bezoekers

Aan het laden ...
<spring:message code='commonMessages.loading' />