INTERVIEW | MARTEN VAN DER WIER −
04/10/11, 20:32
Marco de Jong: "Ik wilde zeker weten dat er geen verwevenheid is met de zware criminaliteit. Ik heb een gezin met twee kinderen." FOTO © BART VAN DER MOEREN
Coffeeshophouders gokten lang op legalisatie, maar het kabinet-Rutte legt ze juist strengere regels op. Tijdens een hoorzitting over de wietpas, gisteren in de Tweede Kamer, kwamen ook eigenaren aan het woord. Maar wie wil er nu nog een coffeeshop runnen? En lukt dat met schone handen? Twee portretten.
Marco de Jong beleeft opnieuw een hectische week. Een dag eerder is een medewerker van The Grass Company van zijn bed gelicht door de politie. "Gelukkig hielden ze hem niet lang vast", vertelt de directeur in zijn grootste filiaal in Tilburg, dat aandoet als een Grand Café. Sommige bezoekers komen hier alleen voor de keuken, die een goede reputatie heeft. 'Chill Out Food: gebakken zeewolffilet, geserveerd op een pasta met olijf, ui en spek', staat er op een bord.
Maar de verkoop van wiet en hasj blijft de belangrijkste inkomstenbron voor de keten, met twee Bossche en twee Tilburgse vestigingen. Er werken ruim honderd personeelsleden, en er komen honderden bezoekers per dag.
In augustus deed de politie een inval bij een depot van The Grass Company, op een aparte locatie in Den Bosch. De vraag is voor De Jong of justitie er inderdaad 'per ongeluk' op stuitte, zoals het Openbaar Ministerie zegt, of dat er actief gejaagd wordt op de voorraden van coffeeshops. "Ik heb het idee dat dat bij ons gebeurt. Waarom pakken ze anders nog steeds onze mensen op?" Als de jacht op de achterdeur werkelijk geopend is, 'mogen ze de sleutel komen halen', zegt De Jong. "Dan kunnen we niet meer werken."
Transparantie
"Collega's zeggen dan dat het niet slim is om producten kant-en-klaar op te slaan in onze eigen verpakkingen, en om in het depot mensen te laten werken die bij ons in dienst zijn. Maar wij willen het zo transparant mogelijk doen", legt De Jong uit. De joviale Tilburger peinst er niet over de opslag 'uit te besteden'. "Dan zoek je de criminelen op." De twee medewerkers die in het onderzoek zijn aangehouden, zijn chauffeurs, zegt De Jong. "Die laten we natuurlijk niet vallen. Daar zoeken we een ander baantje voor."
Een jaar geleden kwam de 51-jarige De Jong als directeur bij The Grass Company in dienst. Daarvoor had hij jarenlang een discotheek in het centrum van Tilburg. Hij was er na zijn militaire dienst als barkeeper binnengerold. De Jong: "Ik zou nu geen zaak in het centrum meer willen. Te veel sores, te veel agressie."
Hypocriete overheidHeeft hij nu minder sores? De Jong lacht. "Nu we onder vuur liggen niet. Ik heb vannacht wakker gelegen. Door het veranderende beleid wordt het steeds spannender. Maar het sterkt mij alleen in mijn mening dat de overheid hypocriet is. Als ze de shops willen sluiten, moeten ze dat zeggen. Maar het glas is voor mij half vol: ik zie geen Nederland voor me zonder coffeeshops. Als er een wietpas komt, ben ik ervan overtuigd dat er op enig moment wel een werkbaar systeem uit rolt. De overheid schiet er niets mee op als de handel zich naar straat verplaatst."
De Jong zegt 'geen seconde' te hebben geaarzeld over het accepteren van deze baan. "Ik heb zelf nooit geblowd. Maar ik vond dit meteen een leuke locatie, en het is een uitdaging om leiding te geven aan vier shops. De problemen zijn niet leuk, maar de hectiek van het vak wel. Ik schrok ervan dat mensen in mijn omgeving letterlijk terugdeinsden als ik zei dat ik voor een coffeeshop ging werken. Dan leg ik altijd uit dat ik voor mijn gevoel van een harddrug, alcohol, naar een softdrug ben overgestapt. Ik ben trots op dit bedrijf. Er hangt een erg leuk sfeertje in onze zaken. Laatst zat een man van 75 een potje te schaken met een jongen van 25."
BendesDe Jong erkent dat de transparante administratie van The Grass Company pas begint waar de cannabis de shops binnenkomt. Kan hij garanderen dat zijn product niet afkomstig is van bendes die zich schuldig maken aan zware criminaliteit, zoals de schietpartijen in Eindhoven van vorig jaar? De Jong: "Dat kan ik niet garanderen. Ik weet dat het niet zo is, maar ik kan dat niet aantonen." Hoe hij het weet? "Toen ik begon, wilde ik zeker weten dat er geen verwevenheid is met de zware criminaliteit. Ik heb een gezin met twee kinderen." De directeur haalt verontschuldigend zijn schouders op. Meer details over zijn achterdeur kan hij niet onthullen.
Of andere coffeeshops zich met criminelen inlaten, durft De Jong niet te zeggen. "Ik weet niet hoe zij het regelen, net zoals zij het niet weten van mij." Dan lacht hij. "Je zou ook kunnen zeggen: ik weet zeker dat we allemaal criminelen zijn, zo lang de verkoop van softdrugs niet gelegaliseerd is."
'Ik koesterde de hoop op legalisering, maar ik geloof er niet meer in'
Als jonge vrouw uit 'het diepe Beieren' was Lisa Lankes meer dan dertig jaar geleden op vakantie in Nederland. De Duitse raakte onder de indruk van de hier heersende tolerantie: een groter verschil met haar conservatieve geboortestreek was niet denkbaar. "Het was een heerlijk gevoel om als cannabisroker niet te worden opgejaagd", vertelt Lankes. "Ik vond het gedoogbeleid een goede, creatieve oplossing." Al snel kwam ze opnieuw, om nooit meer weg te gaan.
In 1984 opende ze als 25-jarige de eerste coffeeshop van Eindhoven: 'The Pink' aan de Willemstraat. Ze was net getrouwd, en had een kind van één. In Duitsland had ze de hotelschool gevolgd. "Ik wilde mijn bijdrage leveren aan het decriminaliseren van cannabis. Ik wilde het netjes en open doen. Een veilige plek, waar je ook als vrouw prettig een stukje hasj kunt kopen."
Verschillende soorten drugsHaar eerste hasj rookte Lankes toen ze veertien was. "Van het effect heb ik toen niets gemerkt, en er ging heel wat tijd overheen voordat ik het weer rookte. Hasj werd toen fluisterend aangeboden in discotheken. Het palet bij die 'pushers' was ook breder: zij hadden ook heroïne. Iedereen had wel vrienden of kennissen die verslaafd raakten aan die drug, of die eraan overleden. Dat heeft veel indruk op me gemaakt."
"Bier was in Beieren destijds het goedkoopste drankje. De jeugd met een kleine beurs raakte vroeg aan de drank, sommigen excessief. Ik zag hun hersenen serieus achteruitgaan, daarvan ben ik overtuigd. In landelijke gebieden waren tig begrafenissen van jongeren die dronken de weg op gingen. Zeker twee jongens uit ons dorp zijn zo overleden."
Geen vermening
In de jaren tachtig werkte ze in Nederlandse kroegen, en zag ze de handel in cocaïne toenemen. Heroïne, cocaïne en alcohol: allemaal zijn volgens Lankes schadelijker dan cannabis. Met haar shop wilde ze de cannabishandel uit de kroeg halen, en de vermenging met alcohol en zwaardere drugs tegengaan. Was ze idealistisch? "Ja, dat kun je wel zeggen." Er kleefden risico's aan het starten van een zaak in een allerminst gelegaliseerde branche, erkent ze. "Maar ik koesterde de hoop dat er snel legalisering zou komen. Hopen, dat doe ik nog. Maar ik geloof er niet meer in."
Lankes - grijs haar, heldere blauwe ogen met een onderzoekende blik - vertelt haar verhaal in het kantoor boven The Pink. Ze draait zich regelmatig om naar de dikke ordners boven haar bureau, om haar woorden met stukken te onderstrepen. Dit is de plek waar in 2009 164 kilo softdrugs lag, volgens de politie. Lankes betwist die hoeveelheid. Justitie rekent het kantoor tot de coffeeshop, ondanks de aparte voordeur. Een overtreding van de maximale handelsvoorraad van 500 gram in een coffeeshop heeft grote gevolgen.
SluitingLankes zat tijdens het onderzoek anderhalve week in de cel. Erger nog vindt ze dat ze haar shop één jaar moest sluiten. "Ik ben daar nog steeds niet overheen. Ik moest voor 25 werknemers ontslag aanvragen. Verschrikkelijk." Ze ging in hoger beroep tegen de 30.000 euro boete en de celstraf van zes maanden voorwaardelijk, die de rechter oplegde. Gerust is ze er niet op. "De strafmaat zou nog eng kunnen uitpakken."
Over hoe ze de aanvoer van cannabis heeft geregeld, wil Lankes niet veel zeggen. Ze gaat niet met criminelen om, zegt ze. "Ik ken geen grote kwekers. Niemand komt hier met 50 kilo aan. Dat zou botsen met de kwaliteit die ik wil garanderen." Haar leveranciers hebben thuis hooguit honderd planten, schat ze. Maar hoe dan ook: teelt is strafbaar.
Strafbaar
"Wat strafbaar is, bepaalt de maatschappij", reageert Lankes. "In de Tweede Wereldoorlog waren de gekste dingen strafbaar. Zo zie ik de huidige strafbaarheid van het kweken van cannabis." Ze voelt zich in de hoek gedreven door het strengere beleid, dat volgens haar alleen op emoties is gestoeld. De aangescherpte eisen voor cannabis in het verkeer, het afstandscriterium tot scholen: symboolpolitiek, vindt ze.
Ze is 'doodmoe' van haar jarenlange strijd. Lankes ziet maar één lichtpuntje: de recente oprichting van 'We Smoke', een belangenvereniging voor cannabisrokers. "Het gedoogbeleid is iets waardevols. Het verdient het dat ik mij ervoor inzet", verklaart ze. Maar de wietpas zou de druppel kunnen zijn die de emmer doet overlopen. Ze hoopt dat Opstelten zijn plan op cruciale punten aanpast. De registratie van bezoekers stuit haar tegen de borst, en het maximum aantal leden is te laag. Lankes: "Als dit zo doorgaat, wil ik afscheid nemen." Ze glimlacht. "Ik vind wel weer iets. Er is ook een leven buiten de shop."
Het strafblad van de wietverkoperOm hun zaak draaiende te houden, moeten ze zaken doen met criminelen. Maar hoe schoon zijn de handen van coffeeshophouders zelf? Onderzoeksbureau Intraval legde in 2004 de gegevens van coffeeshophouders in Amsterdam en Venlo naast databases van justitie.
Van de 381 Amsterdamse exploitanten is bijna 80 procent wel eens verdacht geweest van een misdrijf. In twee op de vijf gevallen gaat het om overtreding van de opiumwet. Volgens de onderzoekers hoort dat bij het vak, omdat coffeeshophouders haast dagelijks te maken hebben met grote partijen softdrugs.
Er zijn ook ernstiger misdrijven: 28 shophouders werden ooit veroordeeld voor wapenbezit, en 26 voor ernstige geweldpleging. Ongeveer een derde van die misdrijven is gepleegd in de periode dat de daders werkten als coffeeshophouder.
In Venlo bleek de situatie anders. Van de vijf coffeeshops hadden er drie een eigenaar die ooit verdacht werd op overtreding van de opiumwet. Andere misdrijven komen niet voor.
Hoe de situatie in andere steden is, is niet bekend. Nicole Maalsté van de Universiteit van Tilburg ziet Amsterdam als uitzondering. Omdat die stad veel shops kent, is het wellicht moeilijker voor ondernemers enkel van softdrugshandel te leven. In andere steden verdienen shophouders echter goud geld. "Er zijn zeker criminelen bij, maar de meesten zouden wel gek zijn hun zaak op het spel te zetten met dat type activiteiten", zegt Maalsté.
Door het stringente overheidsbeleid is het aantal coffeeshops de afgelopen jaren fors gedaald, van 1500 naar 650. Er is dus weinig ruimte voor nieuwkomers. Veel ondernemers werken al decennia in de branche, omdat het moeilijk is ander werk te vinden met een coffeeshopverleden.
Veel van die oude shophouders zijn volgens Maalsté 'echte horecamensen'. Ze waren ooit kroegbaas, en begonnen wiet te verkopen onder de toonbank. Anderen waren idealisten die streefden naar de vrije verkoop van cannabis. Een derde groep zijn de 'vrije jongens': de hoop om snel rijk te worden dreef hen de coffeeshop in.
Veel leden van deze oude garde zijn inmiddels professionele ondernemers. Ze zijn hun vrijbuiter-mentaliteit kwijt. "Ze balen ervan dat ze steeds meer als crimineel worden gezien", zegt Maalsté. Zij ziet ook een andere ontwikkeling. Door de strenge aanpak van de overheid zijn het de geharde criminelen die als leveranciers van de coffeeshops overblijven. Soms dreigen coffeeshophouders een speelbal te worden: ze worden gedwongen producten af te nemen, tegen een opgelegde prijs.