Chauffeurs leren hoe ze moeten omgaan met de kinderen die ze vervoeren. Aanleiding is een zwartboek dat het FNV opstelde.
Rechts voorin het busje zit Raymond. Op zijn vaste plek. Rechts achterin zit Mohamed. Ook op zijn vaste plek. Daartussen zitten Kai, Joshua en Anwar, stevig in de gordels. Zoals elke dag rijdt chauffeur Hettie Rijsdijk ze van hun school Auris Taalfontein in Rotterdam-Zuid naar huis.
Het busje volgt een vaste route. „Na Joshua ga ik naar huis, dan Anwar, en dan Raymond”, legt Kai enthousiast uit. Dat is belangrijk, want de jongens (tussen de 7 en 12 jaar oud) kunnen niet goed tegen verandering. Sommigen hebben een vorm van autisme, anderen ADHD of een andere stoornis.
Soms zijn de kinderen achterin druk. „Als dat gebeurt, zet ik de wagen aan de kant”, vertelt Rijsdijk. „Ik leg ze dan uit dat Raymond daar niet goed tegen kan omdat hij autisme heeft. Dan worden ze weer wat rustiger.” Rijsdijk leerde die aanpak op een cursus die ze onlangs volgde, om chauffeurs meer inzicht te geven in de problematiek van de leerlingen die ze vervoeren. Sinds kort wordt de cursus op verschillende plekken in het land gegeven.
Directe aanleiding is een zwartboek dat het FNV twee jaar geleden opstelde met misstanden in de taxiwereld. Het bleek dat chauffeurs niet altijd wisten hoe ze moesten omgaan met de stoornissen van de kinderen die ze vervoerden. Schrijnende voorbeelden zijn er genoeg: zoals dat van een suikerpatiĆ«ntje, dat wat Dextro Energy wilde eten om zijn suikerspiegel op peil te krijgen. De chauffeur pakte het af – er mocht niet worden gesnoept in de auto. Het kind raakte in een coma.
Zo bont hebben de chauffeurs van het Rotterdamse taxibedrijf Niemandsverdriet, die dinsdagochtend de cursus volgen, het niet meegemaakt. Maar ze hebben soms geen idee wat de kinderen in hun auto mankeert, klinkt het door de zaal. En dat is onverstandig, zegt trainster Yvonne Botterhuis. „Zolang die leerlingen in jouw auto zitten, zijn ze jouw verantwoordelijkheid.”
Nu hebben de chauffeurs het ook niet altijd even makkelijk. „Op school worden ze nog streng aangepakt”, zegt een chauffeur. „Maar zodra ze in het busje stappen, komen ze los.” Schelden, klieren, vechten, middelvingers opsteken. Hartstikke gevaarlijk als je aan het rijden bent, beamen de chauffeurs.
Botterhuis legt uit dat kinderen met ADHD niet druk wíllen zijn, maar dat ze niet anders kunnen. En dat leerlingen met een autistische stoornis je soms niet begrijpen, omdat ze moeite hebben met beeldspraak. „Dus: korte, duidelijke zinnen gebruiken. De stoornis kun je niet oplossen”, houdt Botterhuis haar toehoorders voor. „Maar je kunt wel je gedrag afstemmen op dat van de kinderen.”
Om de chauffeurs een handvat te geven, ontwikkelde Botterhuis het taxipaspoort: een formulier dat de leerlingen bij zich dragen waarop staat wat er met ze aan de hand is en hoe een chauffeur moet reageren in geval van nood. Het taxipaspoort is niet verplicht, maar in Gelderland en Noord-Holland hebben veel kinderen het al bij zich.
Maar met een taxipaspoort en een cursus voor de chauffeurs alleen ben je er nog niet. De volgende stap is het erbij betrekken van ouders en school.
Chauffeuse Rijsdijk zou graag meer contact met ouders willen. Hoe lastig dat is, blijkt als Anwar uitstapt en zijn huis binnengaat. „Soms zie ik een hand. Maar zijn ouders heb ik nog nooit gesproken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.