*

 

Sinds Van Mierlo is de natie niet meer zichzelf geweest

Willem Breedveld − 17/03/10, 00:00

Op één van zijn lucide momenten doorzag Hans van Mierlo hoe het Nederlandse bestel als het ware op een godswonder berust. Door de jaren heen had dat de trekken aangenomen van een kloeke, door zuilen geschraagde Griekse tempel, die echter in de loop der jaren waren omgevallen of verdampt.

Desondanks was de dakconstructie op onverklaarbare wijze overeind gebleven. Vrij zwevend, dat wel. Maar voor het overige leek alles te zijn gebleven zoals het was.

Het zal aan het eind van de jaren tachtig zijn geweest, toen Van Mierlo deze staat der Nederlanden schetste. Er klonk onmiskenbaar ook enige treurnis in door. Van Mierlo en zijn partij waren immers al in 1966 tot het inzicht gekomen dat het bestel zijn langste tijd had gehad. Alleen het kwam er maar niet van. Zijn voorstel voor een ingrijpende staatsrechterlijke vernieuwing liep op de klippen. Maar andere vernieuwingsvoorstellen faalden evenzeer, zoals de poging van de PvdA om de natie te dwingen tot een keuze voor een links of voor een rechts kabinet. In de jaren tachtig hernam het CDA met Van Agt en Lubbers zijn spilpositie in het centrum van de macht en leek alles weer als vanouds.

Het zal Van Mierlo daarom genoegen hebben gedaan dat hij in 1994 toch nog kans zag het CDA uit zijn spilpositie te manoeuvreren. Hij dwong Wim Kok tot een ongebruikelijke keus, tot het aangaan van een coalitie met de aartsvijand, de VVD. Een keus voor Paars. Lang heeft de euforie hierover overigens niet geduurd. Want in de praktijk bleek al spoedig dat de PvdA zich als nieuw spil al net zo gedroeg als het CDA. En in 2002 toen de PvdA even niet oplette, bleek het CDA die rol gewoon weer te hebben overgenomen. Dit keer in de persoon van Jan Peter Balkenende. Zolang het duurt, want inmiddels is het centrum rond de spil akelig smal geworden en lijkt een nieuw godswonder nodig om de dakconstructie overeind te houden.

Crux van het verhaal is dat sinds Van Mierlo de natie niet meer zichzelf is geweest. We waren een land waarin de meeste burgers zich in een verzuilde bestel geborgen wisten. Maar sinds de oprichting van het ’on-Nederlandse’ D66 (zoals Biesheuvel de partij noemde) lijkt de natie nu eens rustig, maar meestal onrustig op zoek naar zijn bestemming. Dat lukte meestal maar half. Voortdurend moesten er puinhopen worden geruimd. Te beginnen met de veronderstelde puinhopen van het kabinet-Den Uyl en eindigend met de al even suggestieve puinhopen van Paars. Nota bene in een jaar, waarin Nederland in de Eurobarometer het hoogste scoorde als tevreden natie.

Van Mierlo was dol op paradoxen. Maar voor het bestaan van deze paradox (een tevreden èn een ontevreden natie tegelijk) heb ik van hem nooit een verklaring gehoord. Van geen enkele politicus trouwens, dus zo gek is dat ook weer niet. Mijn vermoeden is echter dat hij in 1966 al de sleutel voor dit fenomeen in handen had. Zijn idee was en is dat de politiek moet worden toevertrouwd aan de burgers zelf. Hij wilde de burger daarom twee stemmen geven: één op de macht (i.c. de gekozen president) en één op de contrôle op de macht (het parlement). Als gezegd, dat voorstel heeft het nooit gehaald. Dat neemt niet weg dat het idee om de burger directer te betrekken bij de lotsbestemming van de natie ook nu nog volop actueel is. De burger mag dan het gevoel hebben dat het hem persoonlijk goed gaat, maar net als in 1966 irriteert het hem dat hij weinig tot geen invloed lijkt te hebben op de politieke elite, die namens hem maar vooral ook zonder hem het lot van de natie bepaalt.

Bindend leiderschap wordt nu opgevoerd als middel om de dakconstructie overeind te houden. Misschien lukt het. Misschien ook niet en zien we het dak straks alsnog naar beneden komen. Helaas zonder een Van Mierlo als getuige.

mailIcon print |