De oppositie gebruikte meteen grote woorden over de beslissing van het kabinet geen referendum over het Europese hervormingsverdrag te organiseren. Een motie van wantrouwen tegen de eigen bevolking, oordeelden SP en GroenLinks in koor. Dat is voorbarig. Het kabinet baseert zich op een advies van de Raad van State, die meent dat het om een gewoon wijzigingsverdrag gaat zonder grondwettelijke ambities. Op dat oordeel valt wellicht af te dingen, maar dan nog is het de vraag of regering en parlement van de normale goedkeuringsprocedure moeten afwijken.
Het doorslaggevende argument om dat niet te doen is dat een eventueel ‘nee’ het kabinet met een onuitvoerbare opdracht opzadelt. Nog eens heronderhandelen is een zeer onwaarschijnlijke optie, zegt het kabinet zelf met gevoel voor understatement. Minister Plasterk, in 2005 nee-stemmer, nam geen blad voor de mond. Hij zei dat er voor het nu voorliggende verdrag geen alternatief is dan uit de Europese Unie te stappen. Feitelijk zou het daar inderdaad op neerkomen.
Hoe dan ook zou Nederland in een onmogelijke positie terechtkomen, omdat ons bestuur ook zonder een geschreven constitutie sterk is verweven met Europa. In dat licht is de vraag of het verdrag al dan niet een grondwettelijk karakter heeft, nauwelijks relevant. Sinds Nederland in 1957 toetrad tot het ‘Europa van de zes’ hebben de bestuurlijke ontwikkelingen op basis van (verdrags)afspraken, rechtspraak en gewoonteregels niet stilgestaan.
Het referendum van 2005 heeft laten zien wat daaraan gaandeweg ontbrak: de betrokkenheid van de burgers. In die zin was de uitslag van de volksraadpleging dan ook van betekenis als ‘wake-up call’, zoals premier Balkenende gisteren zei. De burgers hebben niet alleen het kabinet teruggestuurd naar de Europese onderhandelingstafel (wat toen nog kon), ook hebben zij politici gewezen op de noodzaak het debat over Europa uit de binnenkamer te trekken.
Het een noch het ander geeft reden tot al te grote opgetogenheid. Het nieuwe verdrag is er niet overzichtelijker op geworden en in de jongste verkiezingscampagne was Europa allesbehalve een prominent thema. Maar een nieuw referendum is niet het juiste middel voor deze kwalen. Het kabinet neemt met de Raad van State ons parlementaire bestel serieus. Nu de Kamer de afgelopen jaren een- en andermaal de invoering van een referendum heeft afgewezen, is het zaak daaruit consequentie te trekken. Met die duidelijkheid nemen politici de burgers echt serieus.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.