Het verschil tussen succes of mislukking ontstaat voor allochtone jongeren vaak in het mbo, zeggen onderzoekers. Hun omgeving heeft daar veel invloed op.
De carrières van jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst vertonen steeds grotere verschillen. Een groeiend deel van die jongeren is hoog opgeleid. Maar een even groot deel maakt z’n school niet af en geldt als risicojongere. Het verschil ontstaat meestal in het middelbaar beroepsonderwijs.
Dat beeld schetsen onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam op basis van een enquête onder duizend allochtone jongeren uit Amsterdam en Rotterdam. „De scheidslijn tussen succes en falen is bijzonder dun”, schrijven zij. Veel risicojongeren en hoogopgeleiden komen het mbo binnen met een vmbo-diploma van hetzelfde niveau. Maar ondanks die vergelijkbare basis eindigt de een op de armoedegrens en weet de ander een goedbetaalde baan te krijgen. „Hun toekomst wordt op het mbo beslist”, schrijven de onderzoekers.
Waarom redt de een het niet en de ander wel? Vanwege de omgeving, antwoordt bestuursvoorzitter Piet Boekhoud van het Albeda College, een grote mbo-instelling in Rotterdam. „Als school knok je tegen invloeden die jongeren een andere kant op trekken. Vooral jongens zijn meer bezig met indruk maken op hun vrienden dan met school. Meisjes zien beter dat school een manier is om hun positie te verbeteren.”
De steun van ouders of het voorbeeld van een oudere broer of zus is belangrijk, zegt Boekhoud. „Komen ouders op ouderavonden, dan weet je: dat maakt hun kind een stuk kansrijker.” Ook docenten hebben invloed. „Doorslaggevend is voor deze jongeren – net als voor jou en mij – dat er van hen gehouden wordt.”
De school wil ’eruit halen wat erin zit’, vervolgt Boekhoud, en het is frustrerend dat dat vaak niet lukt. „Je ziet het gebeuren: jongeren die genoeg kunnen om hun diploma te halen, maar toch wegzakken.” Vaak hebben deze afhakers problemen die weinig met school te maken hebben. Hen aan een diploma helpen lukt pas als alle instanties die met jeugd te maken hebben gaan samenwerken, stelt de Rotterdamse onderwijsbestuurder.
Ook de schoolloopbaan van hoogopgeleide allochtonen verloopt niet ideaal. Zij gaan vaak via het mbo naar de hogeschool; hun weg naar het hbo-diploma duurt dus drie jaar langer dan als zij ’gewoon’ via de havo naar het hbo zouden gaan. Dat zij toch een hbo-diploma halen, kan volgens de onderzoekers twee dingen betekenen: ofwel het zijn laatbloeiers ofwel zij zijn na de basisschool verwezen naar een te lage schoolsoort. „Een hoop talent wordt niet onderkend.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.