Het ene ministerie wil oorlogserfgoed behouden, het andere maakt plannen voor nieuwbouw bij Kamp Amersfoort. „Tijd voor discussie.”
De gebouwen van de politieschool die er nu staan, lijken in elk geval nog een beetje op de barakken die ooit op het terrein van het ’Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort’ stonden. Daar hielden de Duitsers tussen 1941 en 1945 meer dan 35.000 mensen gevangen.
De politieschool, gebouwd in 1971, is alweer toe aan vervanging. Een mooie kans, vindt directeur Cees Biezeveld van Herinneringscentrum Kamp Amersfoort, voor een discussie over de toekomst van het terrein. Deze keer wel. „Want na de oorlog hebben we heel weinig gevoel gehad voor de waarde van dit soort erfgoed.” Dat werd dus allemaal gedachteloos gesloopt. Een opgelapte wachttoren en een muurschildering zijn nog authentieke overblijfselen, maar ook die liggen weggemoffeld tussen een golfbaan en een bedrijventerrein.
Biezeveld haalt het voorbeeld aan van het Duitse kamp Neuengamme. Daar werd, in dezelfde tijd als de politieschool in Amersfoort, een jeugdgevangenis gebouwd. „Die is afgebroken; het terrein is leeggemaakt en ingericht als herinneringsplek.”
Maar hier in Amersfoort lijkt dat niet aan de orde. Integendeel: het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), nu eigenaar van de politieschool, maakt plannen voor nieuwbouw op het terrein. „Het KLPD valt onder het ministerie van justitie, terwijl het ministerie van volkgezondheid, welzijn en sport een programma heeft voor het behoud van oorlogserfgoed. Het is toch heel gek dat het ene ministerie lijnrecht ingaat tegen het andere, zonder dat er discussie over is?”
En dan heeft hij het nog niet eens over de provincie Utrecht en de gemeenten Amersfoort en Leusden, die ook weer verschillende plannen met het terrein hebben. Wat hij bij al die verschillende overheden mist, is één visie op oorlogserfgoed. „Er wordt op conferenties heel veel gediscussieerd over erfgoed. Mooi dat dat gebeurt. Maar het vertaalt zich niet in richtlijnen waar ik in de praktijk iets aan heb als ik met zulke nieuwbouwplannen word geconfronteerd.”
Ellen van der Waerden, manager van het programma ’Erfgoed van de oorlog’ bij het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport, voelt zich niet aangesproken door de kritiek. „Het probleem bij zo’n terrein is: er is niets authentieks meer. Jammer, maar wel de realiteit. Dat we daar allemaal andere dingen zijn gaan bouwen, zegt ook iets over hoe Nederland met de oorlog is omgegaan. Moet je dat dan helemaal leeg gaan halen? Voor ons staat niet vast dat een lege plek van zoveel vierkante meter per definitie erfgoed is. Er moet nog iets authentieks zijn.”
Op de achtergrond, zegt Van der Warden, spelen twee visies op erfgoed. „Wij zijn meer gericht op het conserveren van tastbare zaken en getuigenissen uit de oorlog. In Amersfoort richten ze zich wat meer op het creëren van een beleving. Ze hebben bijvoorbeeld plannen om wandelpaden aan te leggen en daarvoor grond af te graven waar kampafval gestort is. Dat vinden wij dan weer veel erger dan die nieuwbouwplannen.”
Maar moet de overheid niet het voortouw nemen in de discussies over zulke verschillende opvattingen? Volgens Van der Waerden worden die ’in erfgoedland’ voldoende gevoerd. „En een overheidsdecreet lijkt me juist niet wenselijk.”
Rob van der Laarse, erfgoedhistoricus aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), vindt het toch jammer. „De overheid zou best meer kunnen doen om die discussies breder te voeren. Er zijn veel partijen met een claim op zo’n terrein: overlevenden, nabestaanden, historici, erfgoeddeskundigen, ontwerpers, bouwkundigen, omwonenden, scholen, noem maar op. Die hebben nu geen forum. Wij neigen er in Nederland naar om in dit soort gevallen drie ambtenaren en een projectontwikkelaar een hamerstuk te laten voorbereiden. Maar zorg nou eens dat al die partijen aan het woord komen. Dan gaat het niet eens om wat er precies uitkomt. Die discussie zelf, dat is de herinnering.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.