Het grote onderwerp, deze week in de Tweede Kamer, was het debat over de komende vergrijzing van de Nederlandse bevolking en de gevolgen die dat heeft voor het overheidsbeleid. Voor de gezondheidszorg, voor het wonen, voor de arbeidsmarkt, voor de overheidsfinanciën, ja, voor welk terrein eigenlijk niet.
Nederland zal in 2020 wat bevolkingssamenstelling betreft volledig veranderd zijn en dat betekent per definitie een uitdaging voor de politiek. Het moge dan zo zijn dat dit een positief gevolg is van meer welvaart en betere gezondheidszorg, de door vele in de politiek gehanteerde stelling dat we vergrijzing toch vooral als een zegen moeten zien, is een apolitieke holle frase.
Politiek dient immers problemen te benoemen en uiteindelijk te trachten op te lossen. Of een probleem nu voortkomt uit luxe of anders, is daarbij niet relevant. De Tweede Kamer nam tijdens de vorige kabinetsperiode de verstandige beslissing een groep parlementariërs eens te laten studeren op het beleid voor de komende decennia. De waarde van de commissie was dat er nu eens naar het probleem als geheel werd gekeken en niet tussen de schotten van de volkshuisvesting, de AOW, de ziektekostenverzekering of welk geïsoleerd beleidsterrein dan ook.
De werkgroep kwam met een interessant rapport met behartenswaardige aanbevelingen, dat deze week in de Kamer besproken werd. Zou worden, kun je beter zeggen, want het werd een gemankeerd debat. Minister van financiën en vicepremier Wouter Bos kon kennelijk niet de inspiratie vinden om aan het debat deel te nemen.
Terecht vatte de oppositie de weigering van Bos om aan het debat deel te nemen op als een belediging. De verdediging van Bos, door collega minister Donner van sociale zaken, dat het kabinet toch met één mond spreekt en hij dus ook kon spreken over de gevolgen van de vergrijzing voor het begrotingsbeleid, was formeel juist, maar tegelijkertijd een slap excuus. Bos is als minister van financiën ook coördinerend bewindsman rond de financiële aspecten van het ouderenbeleid. Juist hij had namens het kabinet in dit debat het voortouw moeten nemen. Nu ontstaat de indruk dat het kabinet de Kamer niet serieus neemt en tegelijkertijd wegduikt zodra het gaat over uiterst lastige (financiële) beleidskeuzes.
Bos deed het deze week heel wat beter in zijn, ook een minister van financiën toekomende, rol van bezweerder van maatschappelijke sentimenten die schadelijk kunnen zijn voor de economie. De grote verliezen aan het begin van de week op de aandelenbeurzen, schreeuwden om een bezwerende reactie van Bos. En die kwam er. Terecht wees hij op het begrotingsbeleid van dit kabinet. Net als bij de voorgaande kabinetten is dat nu juist gebaseerd op het uitgangspunt niet te reageren op elke verandering in de economie, ten goede of ten kwade.
President Wellink van de Nederlandsche Bank deed feitelijk zondag in het televisieprogramma ’Buitenhof’ precies hetzelfde. Ook Wellink relativeerde de negatieve gevolgen van de kredietcrisis in de Verenigde Staten voor de eurozone in het algemeen en Nederland in het bijzonder. De bankpresident riep weliswaar het kabinet op te kijken naar de mogelijkheden de uitgaven te beperken, maar dat is meer op grond van de hem toegedichte rol, dan dat hij nu grote rampen voorziet als dat niet gebeurt. Het verwijt van VVD-leider Rutte dat het kabinet als een struisvogel de kop in het zand steekt en weigert de logische maatregelen te nemen, is overdreven.
Op de langere termijn kan er echter een probleem ontstaan en daarmee zijn we terug bij het ouderenbeleid. Dit kabinet wil een overschot bereiken op de begroting van 1,1 procent in 2011. Dat overschot moet in de jaren daarna groeien, zodat de vergrijzing de overheidsfinanciën niet uit het lood slaat. De onmiddellijke gevolgen van de crisis mogen meevallen, voor Bos valt te hopen dat het allemaal niet de fundamenten wegslaat onder het begrotingsbeleid in de komende jaren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.