Bomvol was de zaal in het gebouw van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, want daar behandelde prof. dr. Willem Wagenaar, emeritus hoogleraar in de rechtspsychologie, de vraag : ’Heeft Joran eigenlijk wel een echte bekentenis gedaan?’
Om de autoriteit van de spreker te onderstrepen werd ter inleiding gezegd dat de professor, die met zijn grijze haar, grijze snor en vlinderdas leek weggelopen uit een hele langzame Britse politieserie, in ’meer dan duizend rechtszaken’ als getuige-deskundige had opgetreden. We hingen dus aan zijn lippen.
Uit de wijze waarop de vraag geformuleerd was konden we afleiden dat het antwoord ontkennend moest zijn. Dat Joran – voor een verborgen camera – géén echte bekentenis heeft afgelegd. En inderdaad, in juridische zin, zei de professor, had hij dat niet gedaan. „Een rechter kan hier niets mee.”
Maar Peter R. de Vries, die je zo langzaam aan ook een autoriteit mag noemen, had toch gezegd dat Joran een ’volledige bekentenis’ had afgelegd? En niemand, zo parafraseerde de professor retorisch, bekent toch een moord die hij niet heeft gepleegd?
Fout. Dat komt juist veel voor, zei de professor. Sinds men tien jaar geleden met DNA-revisions begon, de herziening van zaken na een DNA-analyse, blijken wereldwijd meer dan tweehonderd mensen onschuldig veroordeeld. Wat had in die zaken de rechter of de jury van hun schuld overtuigd? In de eerste plaats: een foute herkenning door ooggetuigen. In de tweede plaats: een valse bekentenis.
Waarom dus legt iemand een valse bekentenis af? Hier onderscheidt de professor drie groepen. Ten eerste de groep van ’zotten’. „Die lezen over een zaak iets in de krant en gaan dan bekennen.” Na de ontvoering en moord op Gerrit-Jan Heijn meldden zich tien daders.
De tweede groep bestaat uit mensen die de echte dader willen beschermen. Een vader die opkomt voor een dochter. Of een crimineel die een andere crimineel beschermt.
De derde groep bekent ’onder druk’, in een politieverhoor. Er zijn er zelfs die er dan zelf in gaan geloven. „Die zijn helemaal slecht af.”
Niet helemaal duidelijk was in welke categorie Joran zou kunnen vallen, maar in zijn geval was al helemaal geen sprake van een rechtmatig verhoor. De professor wees op de strikte regels die gelden voor een verhoor, rechten die een verdachte tegen de almachtige staat moeten beschermen. Zijn recht om te zwijgen. En hij citeerde een gouden regel van de rechercheschool: ’een bekennende verklaring is het begin van het onderzoek’. Geen verdachte kan veroordeeld worden op zijn verklaring alleen. „Een bekentenis is geen bewijs.”
Het was stil in de zaal. Heel mooi, die rechtsbescherming van een verdachte tegen de almachtige staat, maar wie beschermt Joran tegen zeven miljoen televisiekijkers?
Maar die vraag stond niet op het programma.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.