*

 

Donkere dagen

Wim Boevink − 04/12/08, 00:00

Ik ging naar Rotterdam om de kabouter te zien. Uit mededogen, want de kabouter heeft het zwaar gehad. Het is een verguisde kabouter, besteld door de gemeente, die er inmiddels zo’n drie ton voor betaalde.

Een kerstman is het eigenlijk, met een kerstboom en een bel, zo’n jinglebell, maar de kunstcommissie van de stad noemde de boom geen boom maar een dildo – zo’n seksattribuut voor anaal gebruik, daar hadden u en ik zelfs nog nooit van gehoord. Want het beeld moest het consumentisme aanklagen.

Up yours!

De kerstman werd Kabouter Buttplug, de kunstenaar heeft wel schik in die dingen. Maar in Rotterdam begon het gemor. Boze stukken in kranten. Heel veel boze stukken. Is dit kunst?

Want wie wil er een 4,5 ton zware, bronzen kabouter met een dildo in zijn straat, die de hele dag ’Up yours’ tegen je lijkt te zeggen omdat je aan het winkelen bent? De winkeliers van de Binnenweg – die wilden hem uiteindelijk wel. Na twee jaar ballingschap in de tuin van het plaatselijke museum hadden ze herkend dat de kabouter een publiekstrekker zou zijn, juist omdat ie zich te schande had gemaakt.

Sinds vorige week staat hij dus in de publieke ruimte, op het Eendrachtsplein, op de scheiding tussen Oude en Nieuwe Binnenweg, aan de grens van het centrale winkelgebied. Maar hoe maakt onze kabouter het? Hoe staat hij erbij?

Ik ging er in de middag naar toe, er was nog voldoende daglicht. Het plein is eigenlijk geen plein, meer een hoek die ze vergeten zijn dicht te bouwen. De tram loopt er langs. De kabouter staat, dat valt meteen op, pal voor een grote, oud-Hollandse oliebollenkraam, op amper twee meter van de uitstaande klep, een klep met van die karakteristieke lichtjes eronder. De eigenaar van de kraam kijkt tegen het kabouterachterste aan, ziet eigenlijk alleen die achterkant. Vindt die niet erg, zegt ’ie. Op de toonbank staat een kabouter die een torentje van flappen en oliebollen vasthoudt – in de vorm van een dildo. De oliebollenman heeft er lol in. Als zijn mobiel gaat hoor ik hem iets aan de beller voorlezen uit het AD. Hij citeert zichzelf. „Vrijdag heb ik zelfs meer oliebollen verkocht. Van mij mag hij hier blijven.” Hij kan dus nu in deze krant teruglezen hoe hij zichzelf uit een andere krant citeerde – hoeveel gekker kan het voor een oliebollenman worden?

„De mensen reageren er heel positief op”, zegt de man tegen mij. We kijken beiden naar de grote kabouterkont, en zien een man passeren die een rochelend geluid maakt en dan een geweldige fluim tegen de kabouterhakken aanspuugt. De oliebollenman trekt een verontschuldigende grimas.

Ik maak een ommetje, zie bij vrijwel elke winkelier in de Binnenweg een tuinkabouter staan. Even naar zessen keer ik terug naar de kabouter. De kraam is gesloten en de kabouter staat nu in het donker. Een donkere kaboutermassa is het.

Het wordt een zwarte Kerst.

mailIcon print |