Het gerechtshof van Amsterdam gaat in gewijzigde samenstelling het hoger beroep in de strafzaak van Willem Holleeder behandelen.
„Sorry”, zei Willem Holleeder, beide handen als excuus opengevouwen, gisteren tegen raadsheer mevrouw M. Gonggrijp-van Mourik van het gerechtshof in Amsterdam. De oudste raadsheer glimlachte flauwtjes terug.
De wrakingskamer van het hof bepaalde enkele minuten eerder in de bunker van Amsterdam dat Gonggrijp het hoger beroep in de strafzaak tegen Holleeder niet mag behandelen. Zij lag al sinds de eerste regiezitting van het hoger beroep inhoudelijk flink onder vuur van Holleeder en zijn raadslieden.
Probleem vormde de verwantschap tussen Gonggrijp en Dennis Prins, een getuige aan wiens verklaringen zowel het Openbaar Ministerie (OM) als de rechtbank eerder in de strafzaak tegen Holleeder nogal waarde hechtte. Prins is de partner van een nicht van de echtgenoot van Gonggrijp. Vier jaar geleden zouden zij elkaar voor het laatst hebben ontmoet, bij een familiereünie. Toch kan de schijn worden gewekt dat ’de waardering van de verklaringen van getuige Prins zou kunnen worden beïnvloed door het bestaan van deze familieverhouding’, vindt de wrakingskamer.
Er speelde meer rond de geplaagde Gonggrijp. Anders dan zij eerder aangaf, werd zij in 2003 raadsheer bij het Amsterdamse hof en niet in 2002. Voorts zou Holleeder in 2004 van zowel Dennis Prins als de niet lang hierna doodgeschoten vastgoedhandelaar Willem Endstra hebben vernomen dat de strafzaak tegen de laatste ’op voorhand zou zijn geregeld’. Dit ’dankzij contacten met een rechter van de Amsterdamse rechtbank’, waarmee Holleeder c.s. de suggestie wekte dat het Gonggrijp betrof. Maar de wrakingskamer meent dat Holleeder en zijn raadslieden Stijn Franken en Jan-Hein Kuijpers ’geen enkel steekhoudend argument’ aanvoeren voor deze zware beschuldiging. Ook is er ’geen enkele objectieve reden om te twijfelen aan haar onbevooroordeeldheid of integriteit’, stelt de wrakingskamer.
De advocaten van Holleeder wilden ook de overige twee raadsheren en de ’reserve’ van het proces halen. Toeval of niet, alle vier raadsheren hadden ooit op enigerlei wijze van doen met uiteenlopende afgeleiden van de strafzaak van Holleeder. Voor Gonggrijp was dit haar familierelatie. Voor voorzitter J. Chorus was het zijn zakelijke bemoeienis met een civiele procedure waarbij de vorig jaar overleden getuige Bram Zeegers alsmede nabestaanden van Willem Endstra waren betrokken.
Voor raadsheer L. Dun gold dat hij tot eind 1998, nog als officier van justitie, werkzaam was op dezelfde afdeling als Koos Plooij. De laatste wordt gezien als de aanjager en strateeg in het onderzoek naar Holleeder. Ten slotte was er ook voor reserve raadsheer mevrouw M. Houben een relatie. Zij heeft familieconnecties met de getuige Van Lidt de Jeude, een oud-notaris die een neef is van de echtgenoot van raadsheer Houben.
Aan deze betrekkingen hecht de wrakingskamer minder en dat leidt ertoe dat de drie, met Houben op de plaats van Gonggrijp, hun weg in het doolhof van Holleeder mogen vervolgen. Er is, zegt de wrakingskamer, ten aanzien van hen ’niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen’ opleveren voor een eventuele vooringenomenheid of een partijdig handelen jegens Holleeder.
De eerste, tastbare winst van de uitspraak is dat de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep niet wordt vertraagd en volgens plan op 25 november kan aanvangen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.