Journalisten schrijven niet graag over zichzelf, en al helemaal niet als zij hartgrondig van mening zijn dat de feiten voor zichzelf moeten spreken.
Het besluit van mijn collega Ruud van Heese om na dertig jaar politieke journalistiek de Haagse redactie van deze krant te verlaten, dwingt om verschillende redenen tot het maken van een uitzondering.
Van Heese behoort tot de school die vindt dat je als journalist zo min mogelijk tussen de informatie en de lezer moet staan. Dat lijkt een minimalistische taakopvatting, maar de schijn bedriegt. Het vereist vakmanschap, ervaring en toewijding om de feiten sprekend weer te geven, zeker als je bericht vanuit de complexe wereld van bestuur, wetgeving en politiek. In deze omgeving is er, naar haar aard, altijd sprake van wedijver tussen feiten en beelden, maar van een gelijke strijd is door de toenemende dominantie van de beeldvorming steeds minder sprake.
Minister Van der Laan maakte twee weken terug na het debat over zijn integratiebeleid de Kamerleden het verwijt dat zij niet echt een debat voeren op basis van de feiten, maar vooral bezig zijn met het neerzetten en herhalen van beelden. Een minister hoort geen kritiek te leveren op zijn controleurs, maar hier sprak vooral de geƫrgerde, misschien zelfs wel geschokte advocaat, die gewend is de waarheid te zoeken in details en nuances en die uit liefde voor de logisch opgebouwde redenering niet anders dan minachting kan koesteren voor de oneliner.
In de afgelopen dertig jaar heeft de fijnzinnige cultuur van het woord in Den Haag geleidelijk plaats gemaakt voor de grove cultuur van de beeldvorming. De standwerkers hebben de juristen uit de politiek verdreven, wat ertoe heeft bijgedragen dat de wetgevende en de rechtsprekende macht van elkaar vervreemd zijn geraakt. Kamervoorzitter Verbeet uitte vorige maand haar bezorgdheid over deze ontwikkeling. De machten in de staat behoren gescheiden te zijn, maar zij moeten elkaar wel verstaan om in evenwicht te blijven en aldus de maatschappelijke vrede te dienen.
Hoewel hij geen jurist is, heeft Van Heese zoveel over zaken van recht en wetgeving geschreven dat hij zich die denkwereld voor een deel heeft eigen gemaakt. Hij was op de politieke redactie niet alleen de man van de puntjes op de i, maar ook degene die een voze redenering genadeloos kon doorprikken. Op een politieke redactie zijn deze eigenschappen van groot belang om tegenwicht te bieden aan de waan van de dag en om de zin resoluut van de onzin te scheiden. Het is de vraag of dit belang in de mediawereld voldoende op waarde wordt geschat.
Van Heese heeft in politiek Den Haag de reputatie opgebouwd van een degelijk, betrouwbaar en fatsoenlijk journalist. En dat is precies wat de journalistiek moet zijn, wil zij het vertrouwen van het publiek behouden en een maatschappelijke rol van betekenis blijven spelen. „Ik wil niet dat de pers populair is. Het enige dat zij verdient, is geloofd te worden”, schreef James Reston, de voormalige politieke commentator van The New York Times, in zijn memoires.
De cultuur die deze journalistieke standaard heeft voortgebracht, moet zorgvuldig worden gekoesterd. ’Passie voor media’ is vooralsnog niet meer dan een slogan van de Persgroep Nederland, onze nieuwe uitgever; het karakter van een krant wordt gevormd in de loop van vele jaren. Het is het voorlopige resultaat van inzichten, hartstochten, wapenfeiten en idealen van vele generaties journalisten, uitgevers, columnisten, lezers en opiniemakers.
Vanuit moderne begrippen zal het vermoedelijk een vreemde indruk maken dat Van Heese dertig jaar op dezelfde stoel heeft gezeten. Maar ook hier bedriegt de schijn. De dynamiek van zijn journalistieke arbeid zat in de inhoud – het noeste ordenen en inzichtelijk maken van de feiten – en niet in de vorm, al ging hij in Den Haag nog altijd met kwieke pas en opwaaiende jaspanden op het nieuws af. De dynamiek van dit werk zit ook in de gretigheid het bewijs te leveren van Thomas Jeffersons gelijk over de functie van de krant in een democratische samenleving.
Jefferson, een van de geestelijke vaders van de Amerikaanse grondwet, zei in 1787 dat hij, mocht hij kiezen tussen een regering zonder kranten of kranten zonder een regering, geen moment zou aarzelen voor het laatste te kiezen. In zijn ogen steunde een regering op de mening van het volk (een revolutionaire gedachte in die tijd) en was het dus van essentieel belang dat alle burgers goed geïnformeerd zouden zijn. In onze dagen zijn er veel meer communicatiekanalen dan alleen de krant en is een individuele burger dankzij het internet in staat niet alleen zijn eigen informatiepakket samen te stellen, maar ook zelf aan de informatievoorziening bij te dragen.
Nochtans is de vraag of Jefferson bij deze ontwikkeling, die voor democratisering maar even zo goed voor versplintering kan worden gehouden, zou staan te juichen. Hoewel kranten niet meer, zoals ten tijde van de verzuiling, vanuit een vastomlijnde ideologie worden gemaakt, zijn er op de redacties nog altijd gedeelde opvattingen over de eisen waaraan goede journalistiek behoort te voldoen en, al is de bedding wat breder, over de waarden en principes die leidend zijn bij het selecteren, analyseren en commentariƫren van het nieuws. De krant mag daaraan nog altijd een meerwaarde ontlenen.
Ruud van Heese gaat voor de krant niet verloren. Hij begint maandag op de eindredactie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.