Op de vierkante kilometer van het bestuurlijke en politieke centrum in Den Haag lopen nogal wat mensen rond die menen dat alleen een zakenkabinet of zelfs een nationaal kabinet het antwoord kan geven op de nood der tijden.
De huidige coalitie van PvdA en CDA is onmachtig tot het nemen van ferme besluiten en vertoont steeds meer tekenen van desintegratie, een werkbaar alternatief naar Duits voorbeeld is niet voorhanden en, zo wordt de gedachtengang besloten, het is zaak de populisten met hun schijnoplossingen buiten de deur te houden. Een kabinet-Wijffels/Rinnooij Kan/Cohen/Winsemius, dat op afstand van de partijen staat, zou gemakkelijker in staat zijn tot de harde ingrepen die nodig zijn om de grote bel van de staatsschuld weg te werken.
Op het eerste gezicht lijkt zo’n kabinet van gezaghebbende figuren, verheven boven het partijpolitieke gewoel, aantrekkelijk. Maar er zijn nogal wat bezwaren tegen in te brengen. In de eerste plaats zou zo’n kabinet een bewijs van armoe betekenen voor het politieke bedrijf en zijn spelers. Het beeld zou snel postvatten dat de huidige generatie politici ongeschikt is de grote vraagstukken van deze tijd adequaat aan te pakken. Niet alleen in denkkracht, maar ook in slagvaardigheid en mobiliserend vermogen zou zij tekortschieten. Bij alle kritiek die er mogelijk is, gaat dat wat ver.
Een net zo belangrijk bezwaar is de suggestie dat de opgave die op Den Haag af komt vooral een technocratische operatie zou zijn, die vraagt om een zakelijke, gedepolitiseerde benadering. Op het eerste oog ligt dat in lijn met de aard van de Nederlandse politiek. Daaraan is inherent dat een kabinet dat iets wil bereiken, uiteindelijk voor pragmatische oplossingen moet kiezen. De christen-democraat Jan de Koning vatte die noodzaak ooit samen met het Friese gezegde ‘Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan’. Daar kan wel wat tijd overheen gaan. Zo heeft de AOW een halve eeuw op zich laten wachten, omdat het ene kamp een verzekering wilde en het andere een staatspensioen. De AOW zoals die in 1957 werd ingevoerd, heeft kenmerken van het een zowel als het ander.
De ideologische verschillen zijn sindsdien nog een stuk kleiner geworden, de zuilen zo goed als verdwenen, dus waarom niet een kabinet dat de uitdrukking is van de grootste gemene deler? Het probleem is dat zo’n kabinet een tegenstelling zou bedekken die steeds manifester wordt; de tegenstelling tussen de bestuurlijk georiĆ«nteerde partijen en wat je misschien wel moet aanduiden als de nieuwe volkspartijen.
De oorzaak van de malaise in het politieke midden zou wel eens kunnen zijn dat de traditionele partijen nauwelijks nog laten zien vanuit welke waarden zij opereren. De politiek die zij bedrijven is vrijwel ongemerkt steeds meer een zaak geworden van instrumenten, procedures en verkooppraatjes, gedicteerd door wat onderkoning Tjeenk Willink enkele jaren terug aanduidde als een Haagse beleidsratio. Die praktijk staat ver af van de beleving van burgers, laat staan dat zij bij mensen snaren raakt. Tegen deze achtergrond is het succes van de populistische partijen eigenlijk eenvoudig verklaarbaar.
De PVV en de SP vatten politiek nog wel degelijk op als ideologische strijd en leggen een zwaar accent op de waarden waarvoor zij opkomen. Wilders staat, even los van de bijzondere invulling die hij eraan geeft, voor de vrijheid van het individu en het belang van een vertrouwde gemeenschap. Het zegt iets dat de PVV bij de Europese verkiezingen in juni de helft van het cultureel homogene Volendam (blank en katholiek) op het CDA veroverde. Ook de SP legt, zij het vanuit een andere visie, op het gemeenschapsbelang een zware klemtoon.
Het derde bezwaar tegen een zakenkabinet is dan ook dat het aan het ideologisch tekort van de middenpartijen voorbijgaat en dat zelfs aan het oog onttrekt. Dat tekort is geen kwestie die op zichzelf staat. Het werkt in het hele politieke bedrijf door. Een van de gevolgen is dat de representatie van de wensen en zorgen van burgers in Den Haag gebrekkig is en omgekeerd burgers de mogelijkheid ontneemt tot identificatie. Sinds de revolte van Fortuyn in 2002 dit verschijnsel scherp in beeld bracht, is het de traditionele partijen niet gelukt de verbindingen met de samenleving duurzaam te herstellen. Integendeel.
Toen de christen-democraat Lubbers in de jaren tachtig zijn harde saneringsbeleid voerde, gingen de bewindslieden van zijn kabinet elke maand het land in om hun beleid rechtstreeks aan de kiezers uit te leggen. Dit democratische bewustzijn ontbreekt bij de huidige generatie. Balkenende en Bos hebben hun partijen gaandeweg georganiseerd als claques waarin, net als in de communistische CPN van Paul de Groot en Marcus Bakker, eenheid en discipline vooropstaan. Kritiek en tegenspraak worden niet geduld. De Rotterdamse raadsfractie van het CDA werd het afgelopen voorjaar door de politiek assistent van de premier/partijleider tot de orde geroepen, omdat zij zich kritisch opstelde tegenover de geestverwante wethouder.
Een hernieuwde waardenoriƫntatie is dus dringend nodig, ook al omdat de crises om een nieuwe ordening der dingen vragen tussen overheid, markt en burgers. CDA-fractieleider Van Geel deed het bij de algemene beschouwingen voorkomen alsof het er de komende tijd vooral om gaat Sofie van haar deel van de staatsschuld ter grootte van 169.000 euro te verlossen. Maar de opgave is veel breder en draait vooral om de kwaliteit van het bestaan van Sofie en haar generatiegenoten die nu worden geboren. Deze opgave vraagt niet om minder, maar juist om meer politiek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.