*

 

Alleen contact op de ouderavond

Hanne Obbink − 14/09/09, 00:00

Leesmoeders zijn niet meer nodig in het voortgezet onderwijs en pubers willen hun ouders niet tegenkomen op school. Toch hebben zowel ouders als scholen baat bij iets meer wederzijdse betrokkenheid.

  • Eerste schooldag op het Meridiaan college 'Het nieuwe Eemland' in Amersfoort. (Trouw)
  • (Trouw)

Zolang kinderen op de basisschool zitten, gaat het eigenlijk vanzelf. Ouders brengen hun kind naar school, lopen vaak even met ze mee de klas in en praten meteen bij met de juf of de meester. „Bart heeft vannacht slecht geslapen.” „Ik vind Lisa’s handschrift zo slordig, is het nuttig als ik met haar oefen?” Dat soort vragen en opmerkingen komen bijna terloops aan de orde.

Bijna net zo moeiteloos benadert de school omgekeerd ook de ouders: wie kan er helpen de klas te begeleiden bij een excursie of een schoolreisje, wie wil er leesouder zijn, wilt u alstublieft helpen bij het kaften van de boeken uit de schoolbibliotheek – als dit soort zaken niet op de drempel van de klas afgehandeld wordt, is een simpel briefje, meegegeven aan de kinderen, meestal al genoeg.

Maar zodra de kinderen naar de brugklas gaan, is opeens alles anders. Geen brugklasser wil nog naar school gebracht worden door z’n ouders en daarmee verandert het contact tussen ouders en school ingrijpend. Van de klasgenoten van hun kind krijgen ouders slechts een indruk uit verhalen, zelfs de gezichten kennen ze niet meer. De leraren zijn voortaan niet meer dan namen – niet langer één of twee namen, zoals op de basisschool, maar een stuk of tien.

Voor klusjes worden ouders in het voortgezet onderwijs nauwelijks nog gevraagd. De mentor van hun kind zien ze misschien één of twee keer per jaar. Als hun kind het slecht doet in een bepaald vak, kunnen ze in de tijd dat de rapporten worden uitgereikt de betrokken leraar te spreken krijgen. Een handjevol ouders wil – vooruit dan maar – wel lid worden van ouder- of medezeggenschapsraad, maar het leeuwendeel bemoeit zich daar niet mee. En dat is het wel zo’n beetje: meer contact met school hebben de meeste ouders niet.

Is dat erg? Staatssecretaris Van Bijsterveldt, verantwoordelijk voor het voortgezet onderwijs, vindt van wel. Een half jaar geleden riep zij in Trouw ouders op zich meer betrokken te tonen bij de school van hun kind. „Een school is een gemeenschap van leraren, leerlingen én ouders”, zei zij. „Een school is gebaat bij betrokken ouders.” Maar hoe moet die betrokkenheid gestalte krijgen?

Werner van Katwijk, directeur van de christelijke ouderorganisatie Ouders & COO, geeft Van Bijsterveldt gelijk: ouderparticipatie is belangrijk, ook in het voortgezet onderwijs, maar die moet een andere vorm krijgen dan op de basisschool. „In het voortgezet onderwijs is de school het territoir van je kind. Ik ben, op bezoek op school, wel eens een van mijn kinderen tegengekomen op de gang. Die trok een gezicht van ’wat krijgen we nou!?’ En niets is gênanter dan dat je als puber loopt te sjansen met een van je ouders in de buurt.”

Toch kunnen ouders en school veel aan elkaar hebben, vervolgt Van Katwijk. „Kinderen van deze leeftijd kunnen erg met zichzelf in de knoop zitten, hormonen spelen op, met name meisjes hebben vaak problemen met hun zelfbeeld. Dat is een zorg voor ouders, maar soms zou een zetje van school hen kunnen helpen. Waarom zou een school ouders niet kunnen helpen de vaardigheden te ontwikkelen die je nodig hebt om hiermee om te gaan, bijvoorbeeld op speciale ouderavonden?”

De ervaring leert dat ouderavonden op veel middelbare scholen bepaald niet druk bezocht worden. Maar Van Katwijk verwijst naar een experiment dat hij ooit in Denemarken tegenkwam: daar organiseerden de leerlingen zelf zulke avonden. „Dán komen ouders echt wel.”

Niet alleen ouders moeten als het ware verleid worden tot betrokkenheid, ook veel scholen doen nog weinig moeite om de contacten met ouders te verstevigen. „Scholen hebben steeds meer begrip voor de noodzaak ervan. Maar ze vinden het ook lastig – al was het maar omdat ze vanwege al die gebroken gezinnen denken: met wélke ouders? En met name op scholen die op andere terreinen al problemen genoeg hebben, hoor je vaak zeggen: de school is er voor het onderwijs, de ouders zijn er voor de opvoeding.”

Is dat dan niet zo? Van Katwijk: „Opvoeding is de verantwoordelijkheid van de ouders. Maar het is een gezamenlijke taak voor ouders én school.”

Hoe die gezamenlijke taak in de praktijk uitgevoerd kan worden, daarvan heeft Astrid Boon, als orthopedagoge verbonden aan enkele Amsterdamse middelbare scholen, een aantal voorbeelden. Gebruik de moderne communicatiemiddelen, adviseert zij ouders allereerst. „Je kunt wachten tot je kind z’n rapport krijgt, en dan uitleggen: ja, maar hij heeft het moeilijk, want z’n oma is een paar maanden geleden overleden. Maar het is voor scholen prettiger als ze dat eerder horen. Stuur gewoon even een mailtje aan de mentor.”

Ook de scholen raadt Boon aan: wacht niet met communiceren tot de problemen zich hebben opgestapeld. De praktijk is vaak dat scholen een kind straffen en nog eens straffen en pas als niets helpt en de zaak hoog is opgelopen, krijgen ouders een brief thuis, bijvoorbeeld omdat hun kind geschorst is. Dat is voor ouders heel belastend.”

Zelf gebruikt Boon voor lastige leerlingen vaak zogeheten gedragschriftjes. Die neemt zo’n moeilijke leerling mee naar elke les, en elke leraar maakt daarin na de les een aantekening over het gedrag: een plus, een min of een neutraal rondje.

Zo creëer je een vruchtbare samenwerking tussen ouders en school, zegt Boon. „Met ouders spreek ik af: als hun kind een bepaald aantal plusjes heeft verzameld, krijgen ze thuis een beloning. Dat ze een uur langer achter de computer mogen of zo. Dat die plussen thuis meetellen, dat is een feestje. En je stimuleert dat ouders met hun kind spreken over z’n gedrag. Na een paar weken is dat schriftje meestal al niet meer nodig.”

mailIcon print |