Schokkend nieuws eigenlijk: leerlingen die moeite hebben om mee te komen op school, krijgen vaak niet de steun die ze nodig hebben. Dat meldde de onderwijsinspectie deze week in haar jaarverslag.
Maar liefst 300.000 leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs, schat de inspectie, hebben extra zorg nodig. Deels zijn dat kinderen die officieel als ’zorgleerling’ zijn aangemerkt, zoals leerlingen in het speciaal onderwijs of leerlingen met een handicap die dankzij extra financiële steun (het zogeheten rugzakje) toch naar een reguliere school kunnen. Maar ook zittenblijvers of leerlingen die op hun eigen, lage tempo door de stof gaan, horen bij de groep die aandacht te kort komt.
40 procent van de basisscholen en zelfs 55 procent van de middelbare scholen houdt niet genoeg rekening met de verschillen tussen deze moeilijke leerlingen en de gewone leerlingen. En, voegt de inspectie daaraan toe, dat is al jaren zo.
Hoe komt dat? De inspectie zelf lijkt dat niet goed te weten. Scholen zijn beter dan vroeger in staat om problemen bij leerlingen op te sporen, stelt zij vast. En dankzij nieuwe lesmethodes en educatieve software zijn er meer mogelijkheden om goed in te spelen op de behoeften van verschillende leerlingen. Waarom worden die mogelijkheden niet beter gebruikt?
Bij vragen als deze wordt al snel verwezen naar de lerarenopleidingen: de kwaliteit daarvan zou onder de maat zijn. Daar zit misschien iets in. Omgaan met uiteenlopende soorten leerlingen in één klas is zo ongeveer het moeilijkste wat er is voor een leraar. Juist daarom is het ook een van de belangrijkste vaardigheden die een aspirant-leraar tijdens zijn opleiding onder de knie moet krijgen.
Maar dat is ongetwijfeld niet het hele verhaal. Want de taak van de leraar is er juist op dit vlak de afgelopen jaren niet eenvoudiger op geworden. Het beleid van de overheid is er al jaren op gericht om het speciaal onderwijs te reserveren voor kinderen die echt niet in het reguliere onderwijs terecht kunnen. Als het maar even kan, moeten leerlingen naar een gewone school, ook als er iets met hen aan de hand is. Zo wilde de overheid de kosten drukken – want speciaal onderwijs is duur. Maar de bedoeling was ook dat meer leerlingen, ook potentiële achterblijvers, aan een gewoon diploma geholpen werden.
Deze ambitieuze uitgangspunten zijn niet zonder gevolgen gebleven. Zo kreeg het basisonderwijs kinderen dankzij het ’weer-samen-naar-school’-beleid en dankzij de invoering van rugzakje kinderen binnen die vroeger naar het speciaal onderwijs ging, kinderen bijvoorbeeld met gedragsproblemen of handicaps als slechthorendheid. Het vmbo kreeg te maken met een grote stroom leerlingen die tot eind jaren negentig naar lom-scholen ging, scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden.
Voor al deze leerlingen krijgen scholen wel extra geld, waarmee ze ondersteunend personeel voor deze groep kunnen inhuren. Maar geld om een leerling bijvoorbeeld twee keer per week te laten begeleiden door een remedial teacher maakt het werk in de klas er wel iets, maar niet veel makkelijker op. En in de onderbouw van het vmbo zitten leerlingen die officieel 'leerwegondersteuning' krijgen vaak wel apart in kleine klassen, maar in de hogere klassen zitten ze meestal gemengd met 'gewone' leerlingen. Er zit een grens aan wat een klas aan zorgleerlingen kan opnemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.