Orthodoxe scholen zijn zeer creatief in het weren van homoseksuele leerkrachten.
Christelijke scholen mogen geen homo weigeren, maar ze mogen van een leerkracht wél verlangen dat die de grondslag onderschrijft. Sinds minister Plasterk daar een brief over rondstuurde aan alle schoolbesturen, speelt weer de vraag waar de grens ligt: wàt mag een school in zo’n grondslag opnemen?
Vanouds staan er in zo’n stuk geloofswaarheden, eventueel onder verwijzing naar kerkelijke belijdenisgeschriften. De leerkracht kan bijvoorbeeld gevraagd worden of hij of zij instemt met de leerregels over vergeving van zonden en verlossing door Jezus Christus, over de opstanding, het eeuwige leven, enzovoorts.
Maar een school die een homoseksuele leerkracht wil weigeren, kan het juridisch ook nog anders aanpakken. Door een sluiproute te gebruiken. Wat incidenteel lijkt te gebeuren, is dat scholen aan de ’grondslag’ een extra document toevoegen waarmee een kandidaat kan worden gevraagd in te stemmen met opvattingen over enkele praktische levensvragen. En die vragen gaan uiteraard niet over de wijze waarop hij of zij geld belegt, of over de keuze om zo min mogelijk auto te rijden en vlees te eten. Het gaat ook niet over iemands opvattingen over kernenergie of de Nederlandse missie in Afghanistan. Nee, het gaat dan meestal om slechts twee zaken: geen seks voor het (hetero)huwelijk, geen homoseksualiteit.
Een school die deze sluiproute bewandelt, maakt naar mijn mening misbruik van de vrijheid van onderwijs. Ook bijzondere scholen dienen zich aan de wet te houden, al was het alleen maar omdat de overheid hen subsidieert. In elk geval horen ze niet te discrimineren, niet openlijk, en ook niet sluiks.
Hoe sluiks dit gebeurt, blijkt uit het interview met minister Plasterk van onderwijs in Trouw (8 mei). Daarin komt aan de orde dat er pas twee keer een klacht van een homoseksuele leerkracht is beoordeeld door de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), één in 1999 en een andere in 2007. Maar er is ook in 1996 al een zaak behandeld, bekend onder nummer 1996-39.
Het is enerzijds al een wat oudere zaak, anderzijds zijn er aanwijzingen dat dit nog steeds speelt. Het ging destijds om een sollicitant op een reformatorische school die een formulier kreeg voorgelegd met stellingnames over buitenhuwelijkse samenlevingsvormen. Hij weigerde te tekenen en werd afgewezen. De commissie gelijke behandeling kon slechts concluderen dat ’de leefwijze van verzoeker in het sollicitatiegesprek niet aan de orde is geweest. Dat het om een homo ging, blijkt niet expliciet uit het oordeel van de CGB. Vermoedelijk zou de CGB anno 2009 erg met dit geval in de maag zitten.
Christelijke scholen mogen homo’s niet weigeren om het ’enkele-feit’ dat ze homo zijn of een homoseksuele relatie hebben. Die ’enkele-feit-constructie’ werkt echter niet als er een sluiproute bestaat. De onderwijsinspectie moet dit soort verwerpelijke toevoegingen aan de grondslag van een bijzondere school signaleren. Dat er nog weinig klachten zijn laat zich verklaren. Er zijn homoseksuele leraren die zich verder goed thuisvoelen in het orthodox-christelijk onderwijs. Die hebben nu soms maar één keus: zich schikken, of een klacht indienen. Een onmogelijke keus als ze de baan graag willen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.