*

 

Ouders zoeken een school met ’ons soort mensen’

Hanne Obbink − 16/02/09, 00:00

Het ontstaan van aparte brugklassen voor de beste leerlingen is ’een bijna onomkeerbaar proces’. Scholen spelen in op de wens van ouders.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

„Vooral hoogopgeleide ouders zijn kritisch in de keus van een middelbare school. Zij zoeken een school waar hun kind tussen ’ons soort mensen’ zit. En scholen spelen daar op in, bijvoorbeeld met aparte brugklassen voor gymnasiasten.”

Dat zegt Ben van der Hilst, na een lange loopbaan als rector van middelbare scholen nu directeur van het centrum voor nascholing van leraren in Amsterdam (CNA). „Vooral aan de ’bovenkant’ van het voortgezet onderwijs zitten leerlingen steeds vaker in brugklassen met uitsluitend klasgenoten van hun eigen niveau. Dat is een bijna onomkeerbaar proces.”

Dat is opmerkelijk. Want een hele serie onderwijsministers heeft zich de afgelopen decennia ingezet om leerlingen van verschillende niveaus in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs juist samen in één klas te houden. Hoe komt het dat in de praktijk het tegenovergestelde gebeurt?

„Scholen zijn tegenwoordig ondernemingen die leerlingen moeten trekken; daarvan is afhankelijk hoeveel geld ze krijgen”, legt Van der Hilst uit. „Vooral tussen havo-vwo-scholen is de concurrentie groot. Ouders van havo- en vwo-leerlingen gaan veel vaker shoppen bij verschillende scholen dan ouders van vmbo’ers. Scholen zoeken dus vooral manieren om voor de betere leerlingen onderscheidend te zijn, want daar worden de meest kritische keuzes gemaakt.”

Van der Hilst spreekt van een wisselwerking. „Ouders denken: als mijn kind alleen met andere gymnasiasten in de klas zit, komt het terecht in een veilige omgeving en in een intellectueel uitdagend klimaat. En scholen denken: hoe trekken we gymnasiasten? Door ze in aparte klassen te zetten. Dat is goed voor de school: als je de bovenkant van het leerlingenspectrum trekt, komt het met de rest ook wel goed. Want ook havisten gaan graag naar een school met een gymnasium.”

Diezelfde trend is waarneembaar in het vmbo, zegt Van der Hilst. Steeds meer scholen zetten hun mavo-leerlingen (vmbo-t) al in de eerste klas apart van andere vmbo’ers, om aantrekkelijk te blijven voor de betere vmbo’er. „De mavo is het gymnasium van het vmbo.”

Ook de Citotoets speelt een rol. Die voorspelt beter dan vroeger op welk niveau een leerling thuishoort. „Scholen denken: waarom zouden we bijvoorbeeld een havo-leerling in een mavo-havo-vwo-brugklas zetten als we toch al weten dat ’ie uiteindelijk op de havo terechtkomt?”

Maar, vervolgt Van der Hilst, de brugklas is niet alleen een selectieperiode, ze biedt leerlingen ook een doorgroeimogelijkheid. „Als je leerlingen al op hun twaalfde definitief selecteert, verlies je talent. Veel leerlingen hebben meer tijd nodig om te laten zien wat ze kunnen. Taalarme leerlingen bijvoorbeeld. En jongens. Die belanden vaak op de havo, niet vanwege een gebrek aan intelligentie, maar vanwege te weinig discipline.”

Diezelfde gedachte bracht ook minister Plasterk tot een pleidooi, eind vorig jaar, om de vroegtijdige schoolkeus nog eens onder de loep te nemen. Maar pogingen om de gevolgen daarvan te verzachten, zijn bij voorbaat vruchteloos zolang de structuur van het onderwijs niet verandert, stelt Van der Hilst. „Als je de keus overlaat aan afzonderlijke scholen en individuele ouders, gaat het nu eenmaal zoals het nu gaat.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />