Houdt de liefde van de middelbare school stand in de studententijd? Soms wel, maar er zijn gevaren: de afstand, de feestjes, nieuwe liefdes, de studentenvereniging.
Glunderend zitten ze op de bank, dicht tegen elkaar aan, haar hand in de zijne, zijn andere hand op haar knie. Ze vormen een ’klef stel’, vinden vrienden en vriendinnen. Maar dat kan Jojanneke van de Meerendonk (20) en Robbert Vink (21) niks schelen: „Wij gaan echt helemaal voor elkaar.”
Dat doen zij al bijna vijf jaar, dus sinds de middelbare school. Zij was veertien, hij net vijftien, toen ze elkaar ontmoetten op de tennisbaan. „We gingen eerst een beetje chatten op msn”, zegt Robbert. „Toen sprong de vonk over.”
Die vonk gloeit nu nog steeds, ook al veranderden hun levens. Allebei maakten ze de grote stap van school naar universiteit (hij) en hogeschool (zij). Ze vonden, ieder apart en in een andere stad, een kamer, verruilden moeders menu voor zelfgemaakte spaghetti, gingen stappen met vrienden. En ze bleven bij elkaar.
Dat is niet vanzelfsprekend, weet Robbert: „Vrienden van me, die ook nog een vriendinnetje uit de schooltijd hadden, zijn echt helemaal los gegaan. The sky is the limit.” Zij stortten zich in wat schrijver Ronald Giphart ’het feest der liefde’ heeft genoemd. Volop nieuwe meisjes en jongens, volop cafés, volop drank. Zie dan je schoolvriend of -vriendin maar eens trouw te blijven.
Hoeveel liefdesrelaties van de middelbare school standhouden in de studententijd, is niet bekend. Wel zijn er wat onderzoekjes waaruit blijkt dat universiteiten en hogescholen heuse relatiemarkten zijn. Zo becijferde het inmiddels opgeheven gratis dagblad Dag afgelopen herfst dat een derde van de hogeropgeleiden zijn huwelijkspartner ontmoet in de studietijd.
Maar het is niet alleen de verleiding van de nieuwe liefde die de oude kan doen verbleken. Voor sommige eerstejaarsstudenten is de transitie van het ouderlijk huis naar de studentenkamer niets minder dan een cultuurschok. Giphart beschrijft die zo: „En uit dat universum van beschaafde, hardwerkende, verantwoordelijke, trouwe belastingbetalers stond ik plotseling in een onvoorstelbaar uitgeleefde ruimte vol bierkratten, lege wijnflessen, straatnaam- en verkeersborden, en duizenden andere aftandse voorwerpen.”
Zelf koken, zelf (dus niet) schoonmaken, zelf je tijd managen, financiën beheren, een baantje zoeken, studiepunten halen, nieuwe vrienden maken, de relatie met je ouders herzien, er komt nogal wat op de eerstejaarsstudent af. Die kan zichzelf daardoor gaan herdefiniëren: ’ik ben niet meer helemaal wie ik was’. Verandert de schoolliefde –die nog thuis woont, of in een andere stad– niet méé, dan gaat het makkelijk mis.
Van dat gevaar was Jojanneke zich wel bewust. Zij doet de hogere hotelschool in Den Haag, het eerste jaar daarvan is verplicht intern. Ze woonde met een jaargenoot op één kamer en moest ook vaak ’s avonds en in het weekend voor haar opleiding aan de slag: „Iedereen waarschuwde me: dit jaar is veel te intensief, je houdt die relatie met Robbert niet vol.”
Het is, zegt Jojanneke, zeker niet onmogelijk, maar wel moeilijk „om op de ander over te brengen wat je meemaakt”. Geliefden die in verschillende steden studeren, moeten extra goed met elkaar communiceren: „Wij bellen iedere avond.”
Ook Charlotte Laubert (19), die afgelopen augustus met een hbo-opleiding rechten begon, leeft in een andere wereld dan haar vriend Pim. Een meisjeswereld: ze werd lid van UVSV, de vrouwelijke variant van het Utrechtse studentencorps. Ze woont ook in een meisjeshuis, een statig pand met negen gezellig ingerichte kamers én een gemeenschappelijke woonkamer met klassieke, doorgezakte studentenhuisbanken.
Daar vertelt zij over Pim, die zij al bijna haar hele leven kent, maar met wie ze pas afgelopen zomer, dus vlak voordat ze gingen studeren, een liefdesrelatie kreeg. Hij woont in Amsterdam en is géén lid van een vereniging. Dat maakt, zegt Charlotte, dat hij misschien niet altijd precies begrijpt wat haar beweegt: „Wat het betekent om lid te zijn, dat kun je niet uitleggen, dat moet je voelen en ervaren.” Haar nieuwe leven is vooral druk: op maandagavond gaat ze eten met haar jaarclub, op dinsdagavond met haar huisgenoten. „Dat zijn vaste dagen, dat zeg je alleen af als er echt iets aan de hand is.”
Daarnaast heeft zij allerlei taken, variërend van schoonmaakwerk tot het uitlaten van huishond Bert. Komt Pim bij haar langs, dan zitten ze samen in de gemeenschappelijke woonkamer. „Want dit is een meisjeshuis, je gaat niet in je eentje op je kamer zitten, dat doe je gewoon niet.”
Het is, zegt Charlotte, een beetje schipperen. „Ik moet een evenwicht zien te vinden tussen het huis van mijn moeder in Epe, mijn studentenhuis, mijn vriendje en de jaarclub.” Maar dat Pim, op wie ze erg verliefd is, haar Utrechtse leven niet deelt, heeft ook voordelen. „Stel dat hij lid was van de jongensvereniging hier, dan zou ik hem overal tegenkomen. Dit is wel spannender.”
Spannend is ook de relatie van Jojanneke en Robbert nog steeds. „Ik verveel me geen moment met haar,” zegt Robbert. „We kunnen lekker lachen samen”, zegt Jojanneke. Hun nu al bijna vijfjarige liefde overleeft hun studententijd, daar zijn ze van overtuigd. Straks gaan ze trouwen en komen er kinderen: „Dat is tenminste wel de bedoeling.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.