Alleen lerarenvakbond CNV Onderwijs is voor. Maar verder is ongeveer iedereen die betrokken is bij het onderwijs in havo en vwo tegen: de scholen zelf, de leerlingen, de ouders en ook de – veel grotere – lerarenbond AOb zien weinig in de verzwaring van de eisen voor het eindexamen. Toch ging de Kamer deze week akkoord met die verzwaring, op voorstel van staatssecretaris Van Bijsterveldt.
Daarmee is niet gezegd dat er buiten ’Den Haag’ weinig steun is voor het plan van Van Bijsterveldt. Want opmerkelijk genoeg is weliswaar het voortgezet onderwijs zelf grotendeels tegen dat plan, de ’afnemers’ van havo en vwo zijn uitgesproken voorstanders. Hogescholen en universiteiten willen dat het niveau van hun beginnende studenten omhoog gaat.
Van de HBO-raad mogen de eisen zelfs nog verder verscherpt worden. Die raad maakt zich vooral zorgen over havisten met het profiel cultuur & maatschappij. Daarvoor is het vak wiskunde niet verplicht. Dat zou wel moeten, vinden de hogescholen, want er is geen enkele waarborg dat havisten met dit profiel (ruim een kwart van alle havisten) goed kunnen rekenen.
Maar bieden die scherpere exameneisen daadwerkelijk soelaas voor hogescholen en universiteiten? Vooral voor de hogescholen is dat de vraag. Dat heeft te maken met een trend die zich al enkele jaren voordoet: steeds meer hbo-studenten zijn niet afkomstig van havo of vwo, maar komen van het mbo. En daarvoor gelden de verscherpte exameneisen niet.
Het probleem waarmee het hbo zit, laat zich goed illustreren met de resultaten van de taal- en rekentoets die pabostudenten moeten afleggen. In het eerste jaar dat die toetsen werden afgenomen, zakte de helft van alle pabo’ers voor de taaltoets en 42 procent voor de rekentoets. Maar de verschillen tussen de soorten studenten zijn groot. Van de oud-vwo’ers haalde ruim negentig procent beide toetsen, van de havisten lagen die percentages op 54 (taal) en 65 (rekenen). Maar studenten die uit het mbo kwamen, haalde slechts een derde de taaltoets en 40 procent de rekentoets.
Volgens de hogescholen zelf zouden hbo-studenten in andere opleidingen niet beter scoren dan pabo’ers op deze taal- en rekentoets. In het hele hbo zijn de verschillen tussen mbo’ers en de rest groot. Het probleem van het niveau van de aankomend hbo-student is dus vooral het probleem van de mbo’ers.
En dat probleem groeit, althans getalsmatig. De regering streeft al jaren naar een vergroting van het aantal hoger opgeleiden. Verreweg de meeste vwo’ers en havisten gaan al naar universiteit of hogeschool, dus daar valt nauwelijks groei te halen. En dus moet die groei van het aantal hoger opgeleiden komen van een stijgend aantal mbo’ers dat doorstroomt naar het hbo.
De afgelopen jaren is die groei inderdaad zichtbaar. Tegenwoordig komt bijna 30 procent van alle hbo’ers uit het mbo. Ter vergelijking: nog geen tien procent komt uit het vwo (en dat percentage daalt) en 40 procent heeft een havo-diploma op zak.
Staatssecretaris Van Bijsterveldt werkt al aan de invoering van centrale examens Nederlands en rekenen/wiskunde – niet Engels – voor de hoogste niveaus van het mbo. Totdat die examens er zijn, zal het hbo het moeten doen met studenten van zeer wisselend niveau.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.