Het beloofde een mooie avond te worden: met twintig man reed het Nijmeegse studentendispuut in een bus naar Amersfoort, om daar uit te gaan. Allemaal de rood-gele dispuutstrui aan, en allemaal twintig euro ingelegd in de bierpot.
In het café waar ze terechtkwamen, was de stemming nog opperbest. Maar tegen het einde van de avond kreeg een van de studenten het op de dansvloer aan de stok met een groepje jongens uit Amersfoort. Er werd wat geduwd, gescholden en uiteindelijk werd er, buiten voor de deur van het café, een student vol in zijn gezicht gestompt.
Razendsnel gearriveerde agenten susten de boel en sommeerden de studenten het plein te verlaten. Maar die vonden dat de politie moest optreden tegen de Amersfoorters. ’Kankerhonden’, zou een van de studenten boos naar een agent hebben geroepen. En daarvoor moet de student terechtstaan: belediging van een agent.
„Ik heb dat niet geroepen. Pertinent onwaar”, verklaart de student (een lange jongen in lichtblauw overhemd) tegenover de rechter. „Ik heb wel luidkeels mijn ongenoegen geuit, maar dat woord heb ik niet gebruikt”, verzekert hij de rechter. „Ik riep: ’Pak die raddraaiers op. Doe jullie werk.’ Misschien ook niet netjes, maar binnen de grenzen van de wet”, meent de verdachte die in het laatste jaar van zijn rechtenstudie zit.
Om zijn verhaal te ondersteunen, heeft hij drie dispuutgenoten meegenomen als getuigen. Eensgezind verklaren zij dat hun vriend niet op de agent gescholden heeft. „Dat zou hij nooit doen.” Bovendien: het was daar donker en rumoerig. De agent zal zich vergist hebben, denken de drie getuigen.
„Zo’n dispuutavond, daar wil nog wel eens wat bier gedronken worden”, weet de rechter. „Ja, maar ik was niet ver heen”, zegt de eerste getuige. „Ik voelde de drank wel, en daaruit leid ik af dat ik nog niet zo ver heen was”, redeneert hij.
De officier van justitie blijft erbij dat de agent het scheldwoord goed verstaan heeft. „Hij was ongeveer de enige die niet gedronken had, en politieagenten zijn erop getraind om goed waar te nemen.” Agenten hebben een olifantenhuid, maar ’kankerhonden’ hoeven ze niet te pikken, vindt de aanklager, die 220 euro boete eist.
De advocaat van de student legt nog eens uit dat de agent zich heel goed vergist kan hebben. Ook wijst ze op de desastreuze gevolgen van een eventuele veroordeling van haar cliënt. „Hij wil misschien rechter worden. Met een veroordeling wegens een misdrijf, kan hij niet eens solliciteren.”
De rechter oordeelt uiteindelijk dat er onvoldoende bewijs is dat het woord ’kankerhonden’ die avond viel, en spreekt de jongeman vrij. De jurist in spe slaakt een diepe zucht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.