*

 
terug naar overzicht van alle berichten

Blogs

  • bekijk mijn berichten

Alle berichten

Albert Einstein, op zoek naar God?

Over Albert Einstein is al zeer veel geschreven. Er is veel informatie over hem beschikbaar. Einstein is min of meer synoniem geworden voor 'intellectueel' en voor de relativiteitstheorie. En relativiteit is in de lilaca een begrip wat grote aandacht heeft. Wat kan dit artikel toevoegen aan alles wat over Einstein al is verschenen? Naast een korte samenvatting van al de informatie die over Albert Einstein bekend is wordt getracht een visie vanuit de lilaca op zijn werk te geven.

Natuurkunde
Als natuurkundige was Einstein vooral een theoreticus, die alles achter zijn bureau uitdacht. Anderen deden de experimenten, die dan vaak bewezen dat hij het goed had bedacht. Hij wordt dan ook geklasseerd als een theoretisch natuurkundige en uitvinder. Newton was voor hem een heel groot natuurkundige, omdat deze niet alleen theoretische maar ook experimentele ontdekkingen deed.
Einstein kreeg zijn grootste bekendheid door zijn relativiteitstheorieën, de eerste speciale relativiteitstheorie in 1905 en de tweede algemene relativiteitstheorie in 1915. Had hij bij de speciale relativiteitstheorie de zwaartekracht buiten beschouwing gelaten, na 1915 maakt hij daar ook plaats voor in zijn theorie, hoewel die voor hem nog niet rond is.
Einstein publiceerde heel veel wetenschappelijke werken, ruim 300. Daarnaast waren er ook niet-wetenschappelijke geschriften. Deze laatste handelen over zionisme, de oorlog en over hoe hij het leven en de wereld ziet. Einstein wordt samen met Max Planck beschouwd als de vader van de moderne natuurkunde. Zijn verklaring over het foto-elektrisch effect leverde hem in het jaar 1921 de Nobelprijs voor Natuurkunde op. Hij bedacht onder andere de theorie van de lichtkwanta - fotonen - dat de basis vormt voor de theorie van de dualiteit van golven en deeltjes.

De relativiteitstheorie
Deze theorie berust op het volgende experiment.
Als iemand iets laat vallen in een auto valt het voorwerp altijd met dezelfde snelheid loodrecht naar beneden. Het doet er niet toe hoe snel de auto rijdt. Voor iemand die het gebeuren van verre gadeslaat, gebeurt er echter iets anders. Doordat het voorwerp met de rijdende auto meebeweegt, valt het niet in een rechte lijn naar beneden. Neen, het maakt een grote boog. Het vallende voorwerp moet dus al van zichzelf een bepaalde snelheid hebben gehad, voordat het zelfs begon te vallen.
De toeschouwer kan die conclusie trekken, degene die in de auto zit niet. Dus kan men zeggen dat dit relatieve waarnemingen zijn. Dat betekent dat alles in relatie staat met de omgeving waarin de dingen zich bevinden en zich afspelen.
De relativiteitstheorie is helemaal op dit vrij eenvoudige experiment gebaseerd.
De conclusie is dat niets in totale rust is. Niet de reiziger, niet de toeschouwer. Deze laatste beweegt mee met de draaiing van de aarde en met de omloop van de aarde rond de zon. En de zon beweegt rond het centrum van de Melkweg mee met de bewegende Melkweg als gevolg van het uitdijende heelal, zoals de gedachte is. De reiziger kan uit de val van het voorwerp niet opmaken of hij zelf beweegt of dat de aarde onder hem voortijlt. Alleen tenzij hij zelf vertragingen of versnellingen ondergaat, kan hij iets zeggen over wat er gebeurt.

De gedachtewereld van Einstein
Einstein was een dromer, althans, dat leek hij. Hij zat altijd te bedenken hoe dingen zouden zijn. Op school bijvoorbeeld zat hij tijdens de les te denken wat er zou gebeuren als hij op een lichtstraal mee zou reizen. En wat zou er dan voor een tijd te zien zijn op een klok die niet meereisde, maar achterbleef waar hij vertrokken was? De klok zou dezelfde tijd blijven aanwijzen en er zou nooit een lichtstraal zijn die hem in zou halen. Hij bedacht dus dat de tijd zelf tot stilstand zou komen.
Hij dacht ook aan Newton, zijn grote voorganger, die vastgesteld had dat de ruimte vlak was. Einstein had door te dromen en te denken ontdekt, dat de ruimte flexibel was. Volgens hem vervormen ruimte en tijd door de aanwezigheid van een massa.

Omdat hij zo zat te denken in zijn eigen wereldje, werd Einstein op school voor dom en achterlijk versleten. Later in zijn werk was hij ook altijd bezig om zijn theorieën te bedenken, dat ging gelijk op.
Toen hij in 1905 zijn uitgewerkte dromenideeën opstuurde naar een wetenschappelijk tijdschrift in Leipzig werd zijn artikel: 'Zur Elektrodynamik bewegter Körper' wel aangenomen. Toen dit blad uitkwam ging er een schok door de gehele wetenschappelijke wereld.
Dit stuk, waarop de gehele huidige natuurkunde is gebaseerd, was zijn relativiteitstheorie. Hierin was de zwaartekracht niet langer een kracht, maar een gevolg van de kromming van ruimte-tijd.

De speciale relativiteitstheorie
Einstein ging bij zijn relativitetstheorie uit van de aanname van twee axioma's:
• De regel dat de lichtsnelheid dezelfde is voor iedere waarnemer.
• De natuurwetten zijn dezelfde voor alle waarnemers die met een constante snelheid ten opzichte van elkaar bewegen.
In zijn conclusies was Einstein heel duidelijk:
• Bij heel hoge snelheden vervormen ruimte en tijd; toeschouwers zien een steeds sneller vliegend ruimteschip inkrimpen.
• Klokken lopen steeds trager om bij het naderen van de lichtsnelheid tot stilstand te komen.
• De reiziger in het ruimteschip merkt hier niets van, hij vindt dat hijzelf stil blijft staan, de aarde reist van hem weg. In zijn ogen vervormt de aarde eerst tot een ellipsvormige en later een platte schijf.
• De lichtsnelheid kan nooit worden overschreden, alleen licht zelf en andere elektromagnetische straling kunnen die snelheid halen.
Volgens Einstein kan materie de lichtsnelheid nooit halen. Er zou dan zoveel toevoer van energie moeten zijn dat ze oneindig is en dat is een onmogelijkheid in zijn gedachtenpatroon. Wel bestaat de mogelijkheid dat de materie de lichtsnelheid zou kunnen bereiken door zelfvernietiging, om vervolgens over te gaan in een nieuwe lichtbundel of in warmtestraling. Zijn slotconclusie in deze theorie is dat massa en energie aan elkaar gelijk zijn. Hiervoor had hij de formule E = mc2 opgesteld, waarbij E = energie, m = massa en c = de lichtsnelheid.
Uit al deze opsommingen blijkt, dat waarnemingen relatief zijn. Want de aarde blijft een bol en het ruimteschip blijft ook zoals het is. De reiziger kan maar aan één ding merken dat er iets is gebeurd als hij terugkeert. De klok is dan niet meer gelijk met de zijne. Zou hij een tweelingbroer hebben, dan zou deze nu veel ouder geworden zijn dan hij.

Einstein de onderzoeker
Einstein was een nieuwsgierige en avontuurlijke wetenschapper. Hij was ook een bevlogen wetenschapper. Hij heeft zijn hele leven gegeven aan dat, wat hij zocht: een unificatie van alle natuurwetten, waarin alles zijn plaats zou hebben, ook de zwaartekracht. Tot zijn dood was hij daar nog mee bezig. Hij zei dat hij het gevoel had daar heel dicht bij te zijn. Hij heeft in die laatste uren voor zijn overlijden echter niets meer opgeschreven dat zijn nabestaanden konden duiden als een spoor naar deze unificatietheorie. Zo is Einstein in zijn slaap gestorven zonder gevonden te hebben wat hij zocht.

De vraag rijst 'waar zocht Einstein naar?' Wat ging er in zijn hoofd om?
Wat Einstein kenmerkte is zijn nieuwsgierigheid, zijn behoefte om te weten hoe de wereld in elkaar zit. Daarbij kwam dan nog het geduld, waarmee hij dingen die nog onbekend waren, wilde leren kennen. Daarmee was hij altijd bezig. Zijn vindingrijkheid, zijn dromerige fantasie die tegelijkertijd ook een bepaalde exactheid verraadde, tekenden hem. Hij hield van avontuur en was zeer humoristisch van aard. Zijn intuïtie gaf hem echter nét dat extra dat andere fysici niet hadden. Hij voelde aan dat er meer was onder de zon dan alleen bewijzen en veronderstellingen, aannames die misschien niet klopten.
Hij kende zijn beperkingen. Hij wist dat hij wel ver was met zijn theorie, maar dat hij nog niet aan zijn doel was gekomen. Daarom wilde hij ook geen ophef over zijn persoon, hij vond het niets bijzonders wat hij deed. Hij zag het leven als een avontuur. Hij was geboeid geraakt door de fysica en zijn geheimen en wilde deze ontsluieren. Er was altijd de drang om te weten waar dat licht en het leven vandaan kwamen. Hij onderzocht dingen omdat hij ze niet kende. Hij zei ook gekscherend: "Als een onderzoeker wist waar hij mee bezig was, hoefde hij geen onderzoek te doen." In zijn theorie houdt hij ook altijd rekening met onbekende factoren die hij dan ergens een plaats weet te geven.
Zo luisterend naar wat Einstein te berde bracht vanuit zijn humoristische kijk op het leven blijkt, dat hij de dingen kan nemen zoals ze zijn. Hij kan ook wachten. Hij is niet te ontmoedigen, hij gaat gewoon door, ook al is iedereen tegen hem. Dat zegt dat hij een heel sterke drang heeft om hem onbekende dingen te leren kennen. Hij vroeg zich velerlei dingen af die niet courant waren en stelde deze vragen ook. Een oud idee was voor hem aanleiding om te bekijken of het wel gehandhaafd moest blijven.
Einstein was zeker geen inert persoon. Hij was niet onderhevig aan de traagheid van massa. Hij hield van nieuwigheden en veranderingen, van een geheel andere invalshoek of een bijna onmogelijkheid. Wel hield hij vast aan het principe; "God dobbelt niet." En dat is nu juist iets wat er wel gebeurt in het universum van materie. Structuren veranderen, materie verandert, alles is in een beweging die veroorzaakt wordt door de bewustzijnskracht, het lila.
Einstein heeft op zijn terrein baanbrekend werk verricht vanuit een menselijk oogpunt bekeken, maar hijzelf voelde zich als iemand die zijn doel heeft gemist.

Einstein had heel specifieke uitspraken over creativiteit:
• 'Creativiteit is hetzelfde zien als anderen, maar er iets anders bij denken.'
• 'Als een idee niet absurd is, dan is er geen hoop.'
• 'Fantasie is belangrijker dan kennis, want kennis is begrensd.'
• 'Het echte teken van intelligentie is niet kennis, maar verbeelding.'
• 'Wie nog nooit een fout heeft gemaakt, heeft nooit iets nieuws geprobeerd.'
Uit deze uitspraken blijkt, dat Einstein zichzelf een denker vindt die fantasie en verbeelding gebruikt om verder te komen in zijn vak. Er blijkt echter ook uit, dat hij geen idee heeft van de reële kennis, maar alleen van mentale kennis. Met deze fantasie en verbeelding heeft hij nooit kunnen komen tot de bron van kennis en kracht van het lila. Juist deze bron zou hem verder hebben kunnen brengen. Maar hij is er niet aan toegekomen. Zo ver ging zijn verbeelding niet.

Einstein is gestorven als een behoorlijk gefrustreerd mens. Niet voor niets leed hij aan aneurysma van de aorta abdominalis. Daarbij zet de slagader in de onderbuik plaatselijk heel erg uit. De druk is zo groot, dat hij kan barsten. Dat wil zeggen dat Einstein zijn lichaam onder hoge druk zette, hij moést en zou tot de oplossing komen van het probleem waar hij mee bezig was. Ondanks het feit dat het leek alsof hij op een ontspannen wijze zijn verbeelding liet werken, is dat niet zo. Einstein zat graag naar buiten te kijken met zijn benen op zijn bureau, om op die wijze te komen tot mogelijke openingen tot iets nieuws. De ziekte die hij had wijst op veel spanningen waarbij het gehele vaatstelsel onder enorme druk komt te staan. Deze druk was er zijn leven lang en deze maakte zijn lichaam de laatste jaren van zijn leven tot een object, waarin elk moment zijn ader kon barsten.

Geen operatie
Einstein wilde niet geopereerd worden, hij wilde waardig sterven. "Ich möchte gehen wann ich möchte. Es ist Geschmacklos, das Leben künstlich zu verlängern. Ich will mit Grazie sterben."
Helen Dukas, zijn secretaresse sinds 1928, verzorgde hem tot het laatste, tot ze niet meer kon. Einsteins vriend Otto Nathan kwam ook regelmatig op bezoek. Zij beiden waren tot executeur-testamentair benoemd door Einstein. In zijn testament had hij precies bepaald wat er gedaan kon worden als hij was overleden. Hij wilde geen poespas, geen verering, geen bedevaartplaats. Zelfs het huis waar hij woonde mocht niet blijven als museum of iets dergelijks, hij wilde niet dat daar mensen zouden komen om zijn gebeente te zien, zoals hij het uitdrukte.

Een blik vanuit de lilaca
Hoe kijkt men in de lilaca aan tegen de dingen die Einstein naar voren heeft gebracht? Hij is een mentaal hoog in aanzien staand wetenschapper. Hij is ook een humorist, wat mogelijkheden geeft om wetenschap ook op een prettige manier te bedrijven. Dat is te merken aan de verschillende foto's van Einstein, die vol plezier de wereld inkijkt.
In de lilaca is gebleken, dat stilstand de hoogste dynamiek inhoudt waarin ruimte en tijd worden opgeheven. Ook is aangetoond, dat wanneer men in een evolutieproces een lila materie verwerft, deze materie gemakkelijk veel sneller kan reizen dan het licht. Deze lila materie kan zich boven ruimte en tijd bewegen, zodat er geen tijd nodig is om ergens te komen en er dus ook geen ruimte is te overbruggen.
Einstein kon alleen vanuit zijn beperkt mentaal denken de verschijnselen van de natuur beschrijven. Hij zat tegen het plafond van het denken aan te hikken en kon daar niet doorheen komen. Dat is logisch als duidelijk is, dat het mentaal van de mens niet in staat is om de dingen die buiten het bevattingsvermogen liggen te begrijpen en te ontdekken. Daartoe is een ontwikkeling van de materie van het eigen lichaam nodig en het was Einstein met zijn verbeelding en fantasie niet gegeven om dat te ontdekken.

Hoe nieuwsgierig en weetgierig Einstein ook is, hij heeft de drempel van het denken niet kunnen overschrijden en is tot aan zijn laatste zucht met zijn onmacht geconfronteerd geweest.
Einstein geloofde alleen in het denken. Hij wist niet dat het denken alle wegen naar werkelijke kennis afsluit. Zoals gezegd is het denken heel beperkt, klein en benauwd in zijn bewegingen, ook al was de imaginatie van Einstein groot. Het denken bezit niet het vermogen zich te verplaatsen in grotere gehelen en oneindige werelden van licht. Het denken bedriegt altijd, omdat het de werkelijkheid niet kent. Het kan geen contact hebben met de Bron van Realiteit die buiten het denken is gelegen.
De natuurkundige verschijnselen van de fysieke oppervlaktewereld die Einstein bestudeerde waren slechts fenomenen aan de oppervlakte van verschijnselen die in de werkelijkheid buiten het mentaal hun oorsprong hebben. Zij zijn bij wijze van spreken slechts een triljardste deel van alles wat er aan realiteit in de verschillende universums en andere werelden bestaat. De Bron van Werkelijkheid is niet zichtbaar voor het menselijke oog en zo begint Einstein dan zijn onderzoeken aan het einde van de lijn en niet aan het begin.

Veel is onduidelijk gebleven voor Einstein. Maar het is nu eenmaal zo, dat wanneer men het geheel niet kent, men niets kent. Dat is heel duidelijk met de theorieën van Einstein. Ze zijn vol imaginatie, vol ongekende nieuwe inzichten. Ze zijn niet betrouwbaar, omdat ze gaan over een zepto-deeltje van de werkelijkheid. Hoe kun je daar een vast fundament in zien? Einstein kon heel veel dingen bedenken vanachter zijn bureau. De wereld kon er idolaat van zijn, hij was dat zelf zeker niet. Hij had een intuïtie waarmee hij opmerkte, dat hij sommige dingen niet kon duiden door zijn beperkingen. Daarom noemde hij vaak God, of de Oude, als diegene die de dingen wel zou kennen, of die misschien zus of zo zou handelen. Zijn vriend Niels Bohr kon dat niet uitstaan en hij zette hem vaak in het openbaar voor gek. Hij riep dan naar Einstein dingen in de trant van: 'Hou op God te zeggen wat hij moet doen.' God was voor Bohr iets onuitstaanbaars, hij was een diepgelovige atheïst, die niets met hogere dingen te maken wilde hebben. Hij hield van zuivere wetenschap, zonder poespas.
Intuïtie bracht Einstein wel op een spoor. Maar uiteindelijk is intuïtie ook een mentaal gegeven en het kan dus niet verder leiden dan een uitgebreider mentaal zicht. Een mentaal zicht dat wat meer dan de gewone lagere mentale lagen omvat.
Zo droomde Einstein verder door op zijn ideeën en zijn theorieën. Op de achtergrond werkte hij dingen uit, waar hij ook mee doende was. Hij geloofde dat er een objectieve realiteit in de natuur moest zijn die onafhankelijk was van de toeschouwer. Maar experimenten in de fysica hebben nog nooit aangetoond dat deze er was. Alles wat er in die richting is gezocht heeft tot op heden gefaald.

Om zijn gedachten te ordenen had Einstein nog een leuke hobby. Hij speelde erg graag viool omdat hij dan in de gelegenheid was zich te richten op de dingen waar hij niet uitkwam achter zijn bureau. Dit vioolspelen ontspande hem en gaf hem inzicht in zijn vraagstellingen of problemen. De viool werd door hem niet gebruikt om alleen maar muziek te maken. De muziek inspireerde hem en gaf hem de gelegenheid tot nieuwe mogelijkheden te komen. Zittend achter zijn bureau moést er vaak een heleboel en de ontspannen toestand tijdens het spe len van de viool bracht hem dan vaak uitkomsten die heel verrassend waren.
Zijn viool vermaakte hij bij testament aan zijn enige kleinzoon Bernhard Caesar, de zoon van Hans Albert.

Relaties van lilaca met fysica
Zou het mogelijk zijn om al deze heel beperkte fysische kennis te koppelen aan metafysische gegevens? De bevindingen van Einstein zijn slechts geldig in een zeer begrensd gebied, namelijk dat van het mentale niveau. In de fysica worden fysische bewegingen en processen geobserveerd. In de lilaca worden oorspronkelijke bewegingen en processen geobserveerd, bijvoorbeeld de eerste impuls die in de causale materie, de ether, oproept tot creatie om maar iets te noemen.
Fysica en lilaca aan elkaar verbinden is een reuzenstap. Je kunt fysica niet zomaar aan hogere verschijnselen koppelen. Vooral omdat er al een scheefgroei is in de mentale fysische kennis. Fysica observeert maar een zeer gering terrein van de werkelijkheid. Heel exact gezegd observeert ze slechts vervormingen van de werkelijkheid, omdat mensen per definitie in een illusoire wereld leven waar niets is wat het lijkt te zijn. Dat heeft Plato heel fraai weergegeven in zijn allegorie van de grot. Alleen bleef Plato uitgaan van de mogelijkheden van het denken.
Als er eind september 2011 door fysici bekend wordt gemaakt dat e-neutrino's zijn waargenomen die sneller bewegen dan de lichtsnelheid ontstaat er een hele opschudding in de wetenschappelijke wereld. Als dit werkelijk zo is, dan moeten de grondslagen van de fysica worden herzien. Dat is heel wat, want fysica heeft zijn uitwerking op heel veel gebieden in techniek en wetenschap. Nog gekker zou iedereen opkijken als hij hoorde dat dit e-neutrino een lila deeltje is dat met een zeer vertraagde snelheid voor de ogen van de fysici opdook.
Fysica en lilaca zouden heel slecht met elkaar sporen. Het zou er uitzien alsof iets wat niet reëel is, dus onbestaand is, opeens tot realiteit moet worden gebracht. Want de lilaca bestudeert de werkelijkheid, de fysica bestudeert de illusie die het denken heeft opgebouwd. Het zou een geforceerde poging zijn om deze dingen bij elkaar te brengen. Iets wat gebeurt in een bijzonder begrensde fysieke wereld zou opeens moeten worden overgebracht naar een onbegrensde werkelijkheid.
Daar zijn wel enkele mogelijkheden toe, maar het is nooit een sluitend geheel. Het mentaal is een verdeeld vermogen dat altijd bezig is met het maken van zijn eigen voorstellingen over de dingen. Het construeert en verzint zaken, maakt er schema's van en zegt dan dat dit de werkelijkheid is.
Zolang de fysica uitgaat van aannames, zoals Einstein deze ook gebruikt, dan is niets zeker in deze wetenschap. Dat wil niet zeggen dat er geen mogelijkheden zouden zijn meer te ontdekken dan nu. Het euvel is alleen, dat wetenschappers in het algemeen te veel ingekapseld zijn in hun eigen denkwereldje om iets te bekijken wat anders is dan zij vinden dat het moet zijn.

Fysica bestudeert uiterlijke verschijnselen van de materie. Zij kent niet de oorsprong ervan. Zij kent alleen delen, die zij al associërend met elkaar verbindt. Zij zal echter nooit het geheel van de dingen kennen, de totaliteit, omdat dit voor het mentaal niet kenbaar is.
Neem een cilinder. De fysicus kijkt er bovenop en ziet een cirkel. Een ander kijkt er tegenaan en ziet een vierkant of rechthoek. Als deze twee dingen met elkaar worden geassocieerd, krijgt men geen cilinder als uitkomst maar iets wat er in het geheel niet op lijkt.
De lilacus bekijkt vanuit zijn totale visie altijd het geheel van de dingen. Hij neemt een object waar dat een cilinder is. Dit zal niet overeenkomen met wat de fysicus heeft waargenomen. Toch zal de fysicus vinden dat de lilacus een onjuiste waarneming doet. Want de fysicus behoort tot een erkende wetenschap en de lilacus niet.

Einstein en het fysieke universum
De relativiteitstheorie van Einstein is zeer de moeite waard, maar ze geldt alleen voor de fysieke wereld. De theorie van Einstein is een wetenschappelijk gegeven, hij is niet metafysisch. Als Einstein even anders had gekeken dan alleen met zijn verstandelijke, intelligente vermogens, dan had hij een universum ontdekt dat weliswaar niet met oppervlakte-ogen is te kennen, maar dat wel bestaat. Hij had ook kunnen zien, dat dit grootse perspectieven bood om verder te kunnen, daar waar hij tegen zijn begrenzingen aanliep.

Hij kende niet de bewegingen van de bewustzijnskracht, die alles opbouwt en leven geeft. Wanneer Einstein zijn intelligentie had gelaten voor wat het was, dan was hij waarschijnlijk toegekomen aan de mogelijkheden van zijn unificatietheorie. Dan had hij zijn mentale grenzen moeten laten doorbreken, hij had zijn denken achter zich kunnen laten en binnengaan in de Realiteit die eenvoudige uitkomsten biedt voor alles waar hij niet uitkwam.

De brug
De brug tussen fysica en lilaca is nog niet gebouwd en hij is ook in de toekomst nog geen optie voor de fysici. Want een toenadering van die twee wetenschappen is nog niet in beeld bij hen. Lilaca is een spirituele wetenschap die door fysici niet gezien zal worden als een uitbreiding van hun mogelijkheden. Daarbij ligt het feit dat mentale wetenschap niet geschikt is om meer spirituele zaken te bestuderen.
Toch is men in de lilaca altijd bezig om te bekijken hoe deze twee wetenschappen, die zo nauw verstrengeld zijn, dichter bij elkaar kunnen worden gebracht.
Vooralsnog is er geen opening voor, geen mogelijkheid. Maar de toekomst zal leren of die opening toch kan komen binnen afzienbare tijd. Of dat er misschien nog eeuwen overheen moeten gaan.

Voor het e-neutrino dat sneller dan het licht reist zal wel iets verzonnen worden, zodat het past in de theorie. Maar het blijft een gebeuren dat zal heugen. Want iets inpassen in een theorie wil niet zeggen dat het zo is.
De Werkelijkheid is onbekend bij wetenschappers. Zonder deze Werkelijkheid zullen zij nooit tot de oplossing komen die ze zoeken. Ook Einstein heeft dat niet gekund. Want hij was een mentaal wezen en hij kon die grenzen van het mentaal niet overschrijden. Als hij van lilaca had gehoord, was hij er waarschijnlijk wel op af gekomen. Want hij was nieuwsgierig en hield van uitdagingen. Hij liet deze ook niet liggen, maar ging er mee aan de slag.
Nu, meer dan zestig jaar na zijn dood wordt er nog steeds gezocht. Er is een snaartheorie ontwikkeld die maar een paar mensen ter wereld begrijpen. Wat een complexiteit, wat een ingewikkeldheid.
Het universum en al zijn werelden zijn zo eenvoudig als het maar kan. Eenvoud is dan ook de eenheid van eenvoud, in al zijn complexheid.
En volgens Albert Einstein is het zo: 'De mens die zich omringt met feiten, niet toestaat dat hij verrast wordt, geen flits van intuïtie kent, geen veronderstellingen heeft, geen risico neemt, leeft in een afgesloten cel.'
Of: 'Alles moet zo simpel mogelijk worden gemaakt, maar niet simpeler.'

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het E-magazine 'De Gouden Visie' op www.elektoor.com

Trefwoorden: religie, lilaca, wetenschap, fysica, Albert Einstein

Geplaatst door elektoor op 20/02/2012
Vindt u bovenstaand bericht beledigend of ongepast? Meld het ons.

Plaats een reactie!

Deel jouw mening met de andere bezoekers

Aan het laden ...


Berichten per trefwoord