In zijn campagne voor het presidentschap heeft Obama er last van gehad. Tegenstanders grepen zijn tweede voornaam Hussein aan om hem neer te zetten als een verkapte moslim. Maar er zijn ook móslims die in Obama een geloofsgenoot zien.
Zoals de uit New York afkomstige prediker Khalid Yasin, die in januari in Rotterdam zei: „Dit facet van zijn persoonlijkheid heeft Obama nog niet onthuld.” Bij zijn rede in de aula van de Universiteit van Cairo kwam Obama die ’moslimachtergrond’ eindelijk eens wel van pas.
Hij benadrukte dat hij weliswaar zelf christen was maar dat er in zijn familie in Kenia generaties van moslims zijn geweest. Ook beschreef hij zijn jeugdjaren in Indonesië, waar hij vijfmaal per dag de oproep tot het rituele gebed hoorde.
Obama ging minder ver dan Napoleon, die zich bij zijn expeditie naar Egypte opwierp als beschermer van de islam. Of de Nederlandse arabist Snouck Hurgronje, adviseur van het koloniale bestuur in Indonesië, die zich voordeed als moslim om zo veel mogelijk informatie in te winnen.
Maar de Amerikaanse president lardeerde zijn woorden wel soepel met mooie korangedeelten. Zoals de uitspraak dat wie een mens doodt daarmee de hele wereld doodt en wie een mensenleven redt daarmee de hele wereld redt. De president oogstte daarvoor luid applaus. Ook een andere uitspraak uit de Koran deed het goed: „Wij hebben u geschapen uit man en vrouw en Wij hebben u gemaakt tot volksgroepen en stammen opdat gij elkander zoudt leren kennen.”
Het is de lijfspreuk van moslims, die vinden dat de islam niet is gebonden aan één bepaalde cultuur en dat er daarom ook een Europese of Amerikaanse islam mogelijk is.
Misschien hebben toehoorders in Cairo gedacht aan een andere wereldleider, uit de begintijd van de islam, de toenmalige keizer van Abessinië. Hij gaf asiel aan moslims, die waren gevlucht voor vervolgingen in Mekka. Volgens de overlevering werd deze vorst ook zelf moslim, wat hij in het openbaar natuurlijk niet kon zeggen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.