De Socrates wisselbeker is de prijs voor het beste Nederlandstalige filosofische boek van 2008. Dit jaar staan weer vijf auteurs op de shortlist. Trouw interviewde hen. Deze week, als laatste, René ten Bos over ’Het geniale dier’. De bekeruitreiking is op 17 april.
„Sinds Darwin zijn de grenzen tussen mens en dier onscherp, al deinsde hij als goed victoriaan terug voor deze consequentie van zijn evolutietheorie. Voor hem bleef de grens tussen mens en dier absoluut. De mens is voor hem het morele dier. Maar wetenschappers als Frans de Waal laten zien dat altruïsme ook bij dieren voorkomt.
Mensen definiëren zichzelf tegenover de dieren. We hebben intieme en soms bizarre relaties met dieren. De hond als gezelschapsdier is ontstaan om eenzame prinsjes en prinsesjes gezelschap te houden. Kille gouvernantes bleken daarvoor minder geschikt dan honden.
Dat is nog zo. Beatrix is gek op haar hond. Koning Olav van Noorwegen spant de kroon, die heeft een pinguïn in de adelstand verheven en hem in 2005 zelfs gepromoveerd tot kolonel van het leger. Nils Olav II – de pinguïn dus – vervult deze erefunctie vanuit een Schotse dierentuin.
Het onderscheid tussen mens en dier heeft een lange geschiedenis. De oudste politieke vraag is: wie hoort er in de polis en wie niet? Anders gezegd, wie beschouwen we als mensen en wie niet? Het dier is het wezen dat zonder problemen gedood mag worden. Een mens niet. De vrouw werd lange tijd gezien als een dier dat zijn potentie om mens te worden nog niet voltooid had. Kinderen en vreemdelingen waren trouwens ook geen mensen. Je ziet al hoe gevaarlijk dit onderscheid is.
Het gaat uiteindelijk om de soevereiniteit om het onderscheid tussen mens en dier, tussen wij en zij, te maken. In de politiek, maar ook in het slachthuis. Wij bepalen wat er met het dier gebeurt.
De Italiaanse filosoof Giorgo Agamben waarschuwt dat wij die soevereiniteit kwijt kunnen raken. Wij beslissen nu over onze ouders die in coma liggen, maar ooit beslissen onze kinderen over ons.
Beter omgaan met dieren lijkt me een teken van beschaving. De Partij voor de Dieren probeert het dier als bron van zorg opnieuw in te voeren. Hun strijd gaat in tegen het millennia-oude onderscheid tussen mens en dier. Toch ben ik tegen dierenrechten. Recht veronderstelt dat iemand zich kan verdedigen in de rechtbank. Dieren kunnen dat niet. Als we dierenrechten gaan invoeren, krijgen we allerlei onnodige expertise en specialismen. Het is nodeloze juridificering. Let wel, er is al dierenrecht. Wij mogen dieren niet mishandelen. Maar er is geen enkele wet die verbiedt dat een hondenbezitter zijn eigen hond een spuitje geeft. Dat mag straffeloos en daar zal niemand aan tornen. Immers, als je een hond niet mag doden, dan wordt de vraag: mag je een vlieg wel doodslaan en waarom? Daar moet dan een dierenjurist aan te pas komen en daar is niemand bij gebaat.
Als wij van de Marokkaanse koning vragen om vluchtelingen terug de woestijn in te sturen, dan zeggen we eigenlijk dat het geen mensen zijn. Zij mogen rustig dood. Zijn zij van het niveau van het dier? Natuurlijk zijn er meer grensgevallen. Comapatiënten, mag je die doden? En abortus, is dat een moord op een mens, of niet? Dat noem ik indifferentiezones. Gevallen waar het onderscheid niet vol te houden is. Mijn boek is een poging om te laten zien hoe ingewikkeld het onderscheid tussen mens en dier eigenlijk is.”
René ten Bos: Het geniale dier – Een andere antropologie. Uitgeverij Boom; 304p; €24,90 ISBN 9789085061359.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.