Bij zijn bezoek aan Israël, in mei, wil paus Benedictus XVI graag dat er ridders en edelvrouwen van de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem aanwezig zijn. Ook de Nederlandse tak kreeg een uitnodiging. Wie zijn de ridders en edelvrouwen eigenlijk?
Net als bij pauwen zien de heren van de Ridderorde van het Heilig Graf van Jeruzalem er het mooist uit. Zij dragen een roomkleurige mantel met het rode Jeruzalemkruis als embleem, en een zwartfluwelen baret. De edelvrouwen gaan in bescheiden zwart, met als enige frivoliteit de mantilla, de kanten hoofdbedekking.
Op Palmzondag hangt de garderobe van gebouw Dijnselburg in Zeist vol met deze witte en zwarte mantels, de meeste gehuld in plastic beschermhoezen. De edelvrouwen en ridders – alle met hun partners en sommige met hun kinderen – zijn bijeen voor een plechtige processie, een viering en om inhoudelijk te werken aan het thema hoop. Daarvoor heeft de commissie spiritualiteit de jonge, 28-jarige priester Jos Moons uitgenodigd. Geloof, hoop en liefde zijn de thema’s aan de hand waarvan de ordeleden werken aan hun spirituele vorming.
De mantels gaan even later pas aan pas voor in de processie. In stilte lopen de ridders en edelvrouwen rondom het gebouw, om daarna in de banken van de kapel plaats te nemen voor de eucharistieviering.
Na het amen komt, enigszins gehaast, priester Jos Moons de kapel binnenlopen. Hij heeft die dag al twee vieringen gedaan. Simpel gekleed in een rood vest, het priesterboordje maar net zichtbaar, houdt hij een lezing over het thema hoop, met steeds een evangelietekst en een passage uit de encycliek Spe Salvi van paus Benedictus XVI, als leidraad.
De Orde van het Heilig Graf is een werkorde. Goede werken beginnen met spirituele vorming en voeding van de leden, weten die. Zoals ze blijkbaar ook weten dat wijze woorden niet per se uit de mond van de oudste onder hen hoeven te komen, of van iemand op de hoogste sport van de maatschappelijke ladder.
Moons houdt de ridders en edelvrouwen voor dat ze eerst zelf hoop moeten putten, voordat ze hoop kunnen brengen. Hij waarschuwt dat ze ’niet te doenerig’ moeten zijn. „Maak u niet zo druk dat God niets meer kan doen.”
Tijdens de lunch vertelt de landscommandeur, Godfried Prieckaerts, dat hij wel wat is overvallen door het verzoek om aanwezig te zijn bij het bezoek van paus Benedictus XVI aan Israël. „Dat gaat allemaal op korte termijn en we moeten dat zelf organiseren. Je zou misschien verwachten dat het allemaal heel erg officieel en heel erg georganiseerd is, maar dat is niet zo. Onze nieuwe grootmeester, kardinaal Foley, heeft een informele en snelle wijze van communiceren. Hij breekt soms door de hiërarchie heen en dat is verkwikkend. Het heeft grote voordelen. Zo kunnen heel snel contacten worden gelegd, en is iedereen goed geïnformeerd. Maar het vraagt wel enig improvisatievermogen.”
Die contacten en dat e-mailverkeer dienen uiteindelijk een hoger doel. De Orde van Ridders van het Heilig Graf is geen ceremoniële orde, maar een werkorde. Lidmaatschap van de orde is op grond van kwaliteiten die van pas komen om christenen in Israël, de Palestijnse gebieden en Jordanië bij te staan. Dat is het werkterrein van de Orde: het Latijnse patriarchaat, een andere term voor het bisdom Jeruzalem. De orde zamelt geld in voor bijvoorbeeld katholieke scholen in Israël, voor zomerkampen voor christelijke Palestijnse kinderen.
Onderwijs is altijd een belangrijk aandachtsveld geweest van de orde. Nu steeds meer christenen dit gebied verlaten, ziet de Orde des te meer de dringende noodzaak om iets te doen aan educatie en aan werkgelegenheid.
Onder de Nederlandse ridders en edelvrouwen zijn nogal wat bestuurders en succesvolle zakenlieden, naast politici, hoogleraren, artsen en actieve vrijwilligers in de katholieke kerk. Geven die, naast het geld, ook ongevraagde adviezen aan de Palestijnse schoolhoofden?
Landscommandeur Prieckaerts schudt glimlachend het hoofd. „Het geld dat we inzamelen gaat naar de grootmagistratuur, het hoofdbestuur in Rome, en die sluist het door naar de projecten, zoals scholen of ziekenhuizen. Die projecten dienen zelf een aanvraag in, en de grootmagistratuur beoordeelt ze. We zamelen geld in, maar we gaan ons niet bemoeien met de organisatie of de administratie daar. Het enige dat we doen, is tijdens werkbezoeken zien hoe het geld is terechtgekomen, of die aannemer wel de gymzaal van de school gebouwd heeft.”
Aan tafel schuift Constance van Wesemael aan, edelvrouwe en lid van de Holy Land Commission. Deze commissie van het hoofdbestuur van de Orde in Rome adviseert het Groot Magistraat over bouwprojecten in Israël, die ter financiering zijn aanbevolen door het Latijns Patriarchaat. De commissie mag niet aan landelijke afdelingen financiële steun vragen voor concrete projecten. Geen onderonsjes dus, geen vriendjespolitiek.
In die ’Holy land Commission’ zitten, naast twee leden van het grootmagistraat, twee leden uit andere landscommanderijen, zoals de landelijke afdelingen van de orde heten.
„Constance is de hoogste vrouw van onze orde”, zegt landscommandeur Godfried Prieckaerts, terwijl er een bord met broodjes op tafel verschijnt. Edelvrouwe van Wesemael doet alsof ze dat niet gehoord heeft en legt uit dat er op de katholieke scholen in Israël, Jordanië en de Palestijnse gebieden ook veel moslimkinderen zitten. „Een mooie kans om kinderen te leren, vreedzaam met elkaar om te gaan, ondanks de verschillen in religie en achtergrond.”
Op de verschillende scholen die onder het Latijns patriarchaat vallen werken zo’n vijftienhonderd leerkrachten, vaak voor een karig salaris. Dat salaris is een probleem bij het op peil houden van de kwaliteit van het onderwijs.
De orde heeft wel geprobeerd, via een uitwisselingsprogramma, studenten uit het Latijns patriarchaat naar Nederland te halen. „Niet alleen is dat soms lastig. Het risico bestaat ook dat zo’n student daarna doorgaat naar Engeland of de Verenigde Staten.” Vandaar dat de ridders en edelvrouwen zich beperken tot het inzamelen van geld en dat via het Groot Magistraat in Rome in het Heilig Land laten terechtkomen.
Op tafel, naast de broodjes, ligt een geplastificeerd kaartje met een gebed. Dat heeft de commissie spiritualiteit, onder voorzitterschap van Toos Jongma, zojuist uitgedeeld. Het is de bedoeling dat de ridders en edelvrouwen dit gebed eens per maand bidden. Op de eerste maandag van de maand, als de sirenes klinken, dat is makkelijk te onthouden.
De landscommanderij Nederland houdt niet van ingewikkeld. Simpel, daadkrachtig en doelgericht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.