*

 

Ik geloof in de taal van verf

Emiel Hakkenes − 20/02/09, 10:00

Een voortreffelijk leven komt dichterbij als wij ons oefenen in deugden. Schilder Henk Helmantel probeert de deugd van de traagheid te beoefenen: „Op zondag werk ik niet. Ik struin dan wat door de tuin, en ik kijk. Naar de gevel, een boom, de lucht. Ik probeer de dingen te proeven."

Boven het Groningse Hogeland breekt de zon door de wolken. De torens van Romaanse kerkjes doemen op in het landschap. Daar links, op de wierde, de dertiende-eeuwse Andreaskerk van Westeremden. Ernaast schemeren rode raamluiken door de nog kale bomen. Dit is de Weem, de middeleeuwse pastorieboerderij waar schilder Henk Helmantel woont, werkt en exposeert. De hond blaft achter de voordeur, op een keukenstoel tilt de poes traag één ooglid op.

In zijn atelier, omringd door verftubes en penselen, zit de schilder: lange man, volle baard, blauwe ogen. Rechts van hem valt door de hoge ramen het licht op die kenmerkende Helmantel-attributen: twee rode uien, een kruik, wat roestige spijkers.

Een paar deuren verder, in het achterhuis, hangen tientallen van Helmantels schilderijen. In het zomerseizoen zijn ze te bezichtigen. Op mooie dagen heeft Helmantel twee-, driehonderd mensen over de vloer, en je gelooft het meteen als de kunstenaar vertelt wat een veelgehoorde reactie is: dat de mensen zeggen dat ze hier, te midden van de kerkinterieurs en stillevens, tot rust komen. Ja, zou je zeggen, hier beheerst men de deugd van de traagheid.

Traagheid, formuleert Helmantel bedachtzaam, is een fascinerend en meerduidig begrip. Daarnet, bij het middageten, kwam hij het nog tegen, in Gezang 300 van het Liedboek voor de Kerken. De tekstdichter spreekt daar namens alle mensen die vol verwachting uitkijken naar de dag van Christus’ wederkomst: ’Heer, laat ons dan niet ontbreken, want de traagheid grijpt ons aan’. „In dit lied is traagheid iets negatiefs, het belemmert de mensen”, zegt Helmantel. „Maar je kunt aan traagheid ook een positieve betekenis geven. Dan wordt het zoiets als aandachtige beschouwing. Als ik naar een museum of een expositie ga, dan maak ik altijd eerst een ronde langs de schilderijen die ik wil zien, daarna neem ik een kop koffie en dan maak ik nog een tweede ronde langs diezelfde schilderijen. Dan pas begint het echte kijken, zie je de essentie van een werk. Die mis je als je er snel voorbijloopt.”

Onze maatschappij mag ingesteld zijn op snelheid en efficiëntie, stelde de Vlaamse filosoof Erik Oger onlangs in Trouw, maar dat is niet altijd positief. „Is u wel eens opgevallen dat de tred van de haat vlug is, ongedurig en opdringerig? En dat de liefde met langzame stap komt?” Daarom pleitte Oger ervoor de deugd van de traagheid te beoefenen. Want, als wij af en toe onze snelheid minderen, geven we onszelf de kans nieuwe dingen te ontdekken. Denk maar aan autorijden, zei Oger: hoe sneller we gaan, hoe meer aandacht we moeten hebben voor de weg en hoe minder we de omgeving opmerken.

Henk Helmantel heeft geen rijbewijs. Toen hij in Groningen aan de kunstacademie studeerde, ging hij elke dag op de fiets heen en weer. Nu doet hij veel op de brommer. Laatst is hij naar het oosten van Duitsland gereden om daar kerken te bekijken. „Ik ben twee dagen onderweg geweest, door regen en onweer, maar voor mij is de brommer de menselijke maat van verplaatsing. Soms zit ik bij mijn vrouw in de auto, en het is gek, maar bij 110 kilometer per uur krijg ik alles nog mee, en bij 120 denk ik: we gaan wel hard, nu moeten we opletten.” Het toppunt vindt hij de hogesnelheidstrein. „Ik ben er mee naar Frankrijk geweest, om kerken te tekenen. Aan die reis heb ik niets beleefd, het was flitswerk.”

De schilder neemt plaats achter zijn ezel. Hij werkt aan een paneel met een stilleven van een stapeltje boeken. Hij zet zijn bril op, legt een doek over zijn knieën en neemt een penseel ter hand. „Ik ben toe aan de afwerking”, zegt hij, terwijl hij de kaft van een van de boeken in het tafereel een iets donkerder bruingele kleur geeft. „Dat is niet de meest spannende fase van het werk, maar je moet het wel aandachtig doen. Omdat ik een realistisch schilder ben en veel stillevens maak, denken mensen dat ik langzaam werk. Dat valt mee. Vooral in de eerste fase, in de opzet van het schilderij, zit veel temperament. Dan heb ik een snelle hand van schilderen.”

Maar ieder schilderij begint met kijken en denken. Ook dit boekenstilleven. „De dingen die ik schilder moeten iets meegemaakt hebben”, zegt Helmantel. „Daarom kies ik oude boeken, met een kaft waar scheurtjes in zitten. Ik zet die boeken neer op tafel, schuif eens wat, en kijk: hoe raakt dat boek de tafel, hoeveel ruimte zit er tussen twee boeken, welke sfeer roept dit op? Compositie is een opgave, ik raak er niet over uitgedacht. Maar als de compositie goed is, weet je dat, dan voel je: zó klopt het.”

De filosoof Erik Oger beschreef dat gevoel recentelijk in deze krant met het Griekse woord kairos, het ’gunstige ogenblik’ dat je toevalt. Dat ogenblik laat zich volgens Oger niet afdwingen, maar we kunnen ons er wel voor openstellen – door de deugd van de traagheid te beoefenen, door nauwkeurig en intens naar de werkelijkheid te kijken.

Helmantel herkent dat. Maar, zegt hij, het kan bedrieglijk zijn. „Ik heb eens een groot stilleven gemaakt met een rode ton. Dat heb ik verkocht aan ING, maar het schilderij bleef me bezig houden. Ik heb toen ING opgebeld met de vraag of ik nog iets aan het werk mocht doen. Dat mocht. Toen vroeg ik: ’Mag ik er desnoods de zaag in zetten?’ Dat mocht ook. Ik heb een reep van het paneel afgezaagd, de ton weggeschilderd, en toen zag ik: nu is het wél goed.”

Helmantel kijkt naar de boeken rechts voor hem op tafel, en naar de boeken op het paneel. Hij kijkt nog eens en pakt dan een mesje om van de net aangebrachte verf een dun laagje weer weg te krabben. „De kleur krijgt zo wat meer gevoel.”

Als traagheid een deugd is, zoals Oger stelde, dat zou het een ideaal midden moeten zijn tussen twee ongewenste uitersten. Je kunt dus te veel traagheid hebben of juist te weinig, en daartussen moet je een balans vinden. Maar hoe doe je dat? Helmantel: „Ik kan elke dag wel schilderen, en als ik niet gestoord word, als een dag héél is, is dat een weldaad. Maar ik neem ook afstand. Op zondag werk ik niet. Ik struin dan wat door de tuin, en ik kijk. Naar de gevel, een boom, de lucht. Ik probeer de dingen te proeven.”

De beste momenten in zijn werk, zegt de schilder, ontstaan als hij het zelf niet in de gaten heeft. „Dat is het goede moment van inspiratie. Dat ontstaat niet als je krampachtig bezig bent. Dan wordt het een soort moeten. Vergelijk het maar met een dominee: die moet preken zonder dat hij prekerig wordt. Of kijk naar topsporters: de winnaar komt zelden verkrampt over de eindstreep. Je presteert het best als het je fluitend afgaat. En het publiek ziet dat ook. Een geslaagd schilderij dwingt je ernaar te kijken. Daar ben ik van overtuigd, ik geloof in de taal van verf.”

Zeker, zegt Helmantel, traagheid is belangrijk voor een schilder, maar het is niet het wezenskenmerk van een kunstenaarsbestaan. „Een lyrisch, abstract expressionistisch schilderij moet met een zeker geweld tot stand komen. Van Vincent van Gogh is bekend dat hij soms twee schilderijen op een dag maakte. Vermeer werkte juist veel trager, laagje voor laagje. Ik heb van beide wat. Dat maakt een Helmantel een Helmantel.”

mailIcon print |