*

 

Waarom is conformisme zo onuitroeibaar?

Ger Groot − 22/01/09, 00:00

Kuddegedrag wordt van nature door de hersenen gestimuleerd, zo meldden de kranten vorige week. Neurowetenschappers uit Rotterdam en Nijmegen hebben aangetoond dat het brein een corrigerende tik uitdeelt wanneer iemand zichzelf betrapt op een mening die afwijkt van die van de rest.

Dat mensen van nature conformisten zijn, is niets nieuws. Talloze laboratoriumexperimenten hebben dat al laten zien en wie in het gewone leven zijn ogen open houdt, had daarvoor geen wetenschappelijk bewijs meer nodig. Wat het nieuwe onderzoek heeft aangewezen, is de fysiologische basis daarvan.

Mij fascineert vooral die ene studente die bij hoog en bij laag volhield nimmer van mening te zullen veranderen – en vervolgens een van de meest beïnvloedbare proefpersonen bleek te zijn. Vanwaar die merkwaardige discrepantie tussen wat zij van zichzelf zeker meende te weten en haar heel wat minder heroïsche gedrag?

Daarover geeft het onderzoek geen uitsluitsel, want daarover ging het niet. Maar ook hier lijkt de alledaagse ervaring te wijzen op een wetmatigheid waarover de wetenschap zich misschien ooit nog eens buigen kan. We zouden het de wet van de omgekeerde introspectie kunnen noemen: naarmate mensen er zekerder van zijn iets onwenselijks nooit te zullen doen, zullen ze zich er eerder aan schuldig maken als de omstandigheden er naar zijn.

Ik weet niet of dat ooit neurofysiologisch verklaard zal kunnen worden. Vooralsnog houd ik het bij een morele uitleg en de rol van de zekerheid in het bewustzijn. Want wie aan méér twijfelt, houdt ook meer voor mogelijk – niet alleen in de buiten- maar ook in de eigen binnenwereld. Een sceptisch type zal zich eerder een situatie kunnen voorstellen waarin het ondenkbare tóch denkbaar wordt en hij doet wat hij nauwelijks voor mogelijk had gehouden.

Voor een dogmatisch karakter (want misschien gaat het hier allereerst over persoonlijkheidskenmerken) is zo’n rampenscenario uitgesloten, omdat het zich een andere situatie helemaal niet kan indenken. De ironie wil dat de dogmaticus daardoor des te gemakkelijker slachtoffer wordt van dat ondenkbare. Omdat hij het al bij voorbaat als mogelijkheid heeft weggeschoven (’dat zou ik nooit doen’), ziet hij de verleiding ervan geheel over het hoofd wanneer die op kousenvoeten dichterbij sluipt – en wordt hij een dader voordat hij het in de gaten heeft.

Juist daarom is scepsis niet alleen een zaak van kennis, maar ook van moraal. Zolang wij ons ervan bewust blijven hoeveel wij allemaal níet weten – om te beginnen van onszelf – kost het minder moeite te onderkennen dat ook in ons een deugniet, een schurk of zelfs een schoft kan huizen. Met een beetje verbeeldingskracht zien we hem als het ware tevoorschijn komen – tot onze ontzetting, maar in het volle besef dat wíj dat inderdaad (kunnen) zijn.

Daarom is de verbeelding zo belangrijk voor een fatsoenlijk leven. Niet alleen omdat zij ons leert ons in anderen te verplaatsen en gevoelig maakt voor hun vreugde en verdriet. Maar vooral omdat we ons ermee kunnen verplaatsen in onszelf, wanneer wij door omstandigheden een ander lijken te zijn geworden.

Doodslag, wreedheid, foltering: weet ik werkelijk zéker dat ik mij daaraan nooit schuldig zou maken? Wie het wèl deden, waren meestal niet zo verschillend van mij – en het besef als anderen te zijn, behoedt mij er misschien een beetje voor als anderen te doen. Als ook dat conformisme is, dan is het in ieder geval ten halve gekeerd.

Maar niets garandeert die goede afloop, die des te onwaarschijnlijker wordt naarmate ik er meer op vertrouw. Laat daarom – al was het uit voorzorg – geen loopje nemen met mijn eigen vermogen tot het kwaad, in alle onnozelheid bedreven omdat iedereen vond dat het moest.

mailIcon print |