Als het geroezemoes sterker wordt en bijna iedereen is gearriveerd, klinkt toch nog onverwacht: „Heren, we gaan ’ns wat doen!''
Het voelt bijna aan als een commando, de reactie is navenant. De leden van het kookgilde Da Vino in het Brabantse Beek en Donk zijn op slag stil, laten de bockbiertjes staan, hijsen zich in hun witte kokspak en nemen plaats in de belendende ruimte. Die lijkt op een cave, een langwerpige wijnkelder met een gebogen plafond, de bijbehorende fusten zijn op de muren geschilderd. De rechthoekige, ruimtevullende tafel is gedekt voor achttien mannen, het maximum aantal leden van het kookgilde. Vanavond zijn er zestien, maar ook de begeleider en de gast zijn aan de feestelijke dis genood.
Allereerst vindt de werkbespreking plaats. Een goede voorbereiding is tenslotte het halve werk. Begeleider Ties van Oorsouw neemt weer het woord. „Heren, kijk goed naar de indeling, met wie en wat je moet koken vanavond. En lees goed de recepten door.” Na een korte leespauze, stommelen vijftien koks de aanpalende keuken in. De voor deze avond aangestelde sommelier kwijt zich op een andere plek van zijn aangename taak. De enkele keer dat hij in de keuken verschijnt, is het om de glazen van de koks bij te vullen.
Vijf jaar geleden begon de als kok opgeleide Ties van Oorsouw – „op 11 september 2001, hoe cru kan het zijn” – zijn Culinair Kookpunt Brabant. Inmiddels geeft hij onderdak aan 20 kookgildes met namen als ’Meester in gerechten’, ’De gardisten’, ’La Grande Bouffe’ en ’Kookgenootschap de vierde dinsdag’. „Het groeit enorm. Ik dacht twee jaar terug dat de top zou zijn bereikt, maar het blijft doorgroeien. Voor 90 procent zijn het mannen. Ik heb één gemengd gezelschap, en daar is het verloop het grootst. Bij de mannenclubs blijft bijna iedereen, tenzij ze door verhuizing uit de buurt raken of tussen zes planken verdwijnen.”
Van Oorsouw geeft ook workshops en er kunnen bedrijven bij hem terecht voor een speciale avond – „samen koken is fantastische teambuilding”. „Deze club, Da Vino, komt elke eerste donderdag van de maand bijeen. Die datum is heilig. De meesten zijn al jaren samen, het zijn vrienden van elkaar. Het is een zeer gemengd gezelschap, een loodgieter, huisarts, een schilder, een onderwijzer, een fotograaf, iemand die in gordijnen doet. De oudste is rond de 70, de jongste in de 30. Het is een echt mannengebeuren. Zij zijn een avond uit. Gezelligheid staat voorop.”
Huisarts Ton Engels bekent zelfs nooit gekookt te hebben, voordat hij zich een jaar geleden aansloot bij dit kookgilde. „Ik leer veel en pas het soms thuis toe. Ik kom voor de sfeer. Ik heb een overvolle agenda, maar deze avond hou ik beslist vrij.”
Als vrouwen komen willen ze vooral kookles, gaat Van Oorsouw verder. „Zij hebben ook wel lol, maar dikwijls is het toch heel serieus, met vragen over ingrediënten, willen mijn mening vaak horen over gerechten. Ze letten op hun gezondheid, vinden gauw iets vet. Bij mannen speelt dat nauwelijks.”
„Ja, dat vette koken speelt wel bij vrouwen”, beaamt verpleegkundige Henri Lempers, die vanavond optreedt als sommelier. „Maar tegen vrouwen in onze keuken zou ik geen bezwaar hebben. De sfeer zal er wel anders door worden.” Gordijnenmaker Frans Cranenbroek denkt dat vrouwen ook anders koken. Voor hem is dat reden om niet met vrouwen in de keuken te gaan staan. „Ze zijn beter in logistiek, kunnen ook beter dan mannen meerdere dingen tegelijk. Maar zij geven te veel commentaar. Zeggen iets te vaak: ’Zou je dat nou wel zo doen?’ Anderzijds heb ik wel veel waardering gekregen voor het koken, dat thuis bijna altijd door vrouwen wordt gedaan.”
In de keuken krioelen de koks door elkaar, maar de sfeer is opvallend rustig. Geroezemoes hier en daar, tweegesprekken, maar ook stiltes, men is aan het werk. Er valt echter geen onvertogen woord. Degenen die klaar zijn of even niets te doen hebben, staan bij elkaar aan een hoge tafel in een nis van de keuken en hebben zichtbaar plezier. Mannenplezier, even onder elkaar, de keuken als troostend rustpunt in een verder hectische wereld.
„En toch is er altijd een soort onderhuidse spanning aanwezig”, zegt Van Oorsouw. „Vooral aan het begin als ze strak in het pak de keuken in gaan. Het moet en zal super worden. Dat is typisch mannengedrag, ze zijn fanatiek, zoeken de uitdaging, willen laten zien wat ze kunnen. Soms maken ze extreem moeilijke gerechten. Die mislukken best vaak, maar ze willen het niet anders. Vrouwen gaan meer voor iets dat ze kennen. Zijn banger voor mislukkingen.”
Dat heeft het opvallende gevolg dat de gildeleden thuis nauwelijks koken. Dat is dan weer te gewoon, de uitdaging ontbreekt bij de dagelijkse hap van aardappelen, groenten en vlees.
De enige hectiek in de gildekeuken ontstaat bij het klaarmaken en het uitserveren van de borden. Het opeten geeft weer een paar minuten rust, maar als de borden leeg zijn, vraagt begeleider Ties na elke gang om een evaluatie. Eerst krijgen de makers het woord, daarna de rest. Af en toe klinkt harde kritiek: „Ik vind wel weinig aardappels bij het zout”. Ook Van Oorsouw laat zich niet onbetuigd en becommentarieert streng de gerechten, maar ook de compositie op het bord. „Die cantharellen hadden tegen de tong aan moeten liggen, dan krijg je een betere kleurverdeling. En ook het bord is wat bleek bij deze maaltijd. Zoiets kan je oplossen door een gekleurde dressing of saus aan de rand uit te smeren. Presentatie is het halve werk heren, denk daaraan.”
Mannen zijn hard naar elkaar toe, weet Van Oorsouw. „Als je er met je pet naar gooit, word je zonder schaamte gemangeld. Ze nemen geen blad voor de mond, maar het wordt gepikt.’’
Meer info: www.kookpuntbrabant.nl
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.