*

 

Terug naar de oerdis

Kees de Vré − 23/09/08, 17:26

Ons DNA lijkt nog steeds sprekend op dat van de oermens. Als we net als onze voorvaderen vis, groente, fruit, noten en zaden gaan eten, blijft ons een hoop narigheid bespaard.

Hoe modern wij ook denken te zijn, ons lijf en alles wat daarin zit is nog steeds gelijk aan dat van onze voorvaderen in het Stenen Tijdperk. De voeding die we nu in dat lijf stoppen is echter totaal anders dan het menu van betovergrootvader.

Die vervreemding tussen lichaam en voeding is behoorlijk gaan wringen. De verwijdering van het oorspronkelijke dieet is de oorzaak van welvaartsziekten als hart- en vaataandoeningen, sommige kankers, astma, obesitas en diabetes, waarmee met name de westerling wordt geconfronteerd. Om die te bestrijden is het zaak dat we het menu van de huidige mens meer in overeenstemming brengen met zijn aloude biochemie. Met andere woorden: we moeten terug naar de oerdis.

Dat betekent niet dat we net zoals Obelix weer everzwijnen gaan jagen en die met huid en haar gaan verorberen. „Dat kan natuurlijk niet. Het berenvel en de speer zijn ver weg. Wij voelen ons geen onderdeel van de natuur meer. We halen ons eten in de supermarkt of bij het fastfood-restaurant, in de auto”, zegt dr. Henk Huizing van het InnovatieNetwerk, een denktank van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en voedselkwaliteit (LNV). „Wat we wel kunnen is onze kennis vergroten van de oerdis, daarvoor te rade gaan bij antropologen en archeologen. Zo moeten we trachten de samenstelling van het menu van onze voorouders te reconstrueren. Met die kennis moeten we een soort oerschijf van vijf opstellen. Het gaat er uiteindelijk om dat de verhouding van de basiscomponenten in onze moderne voeding meer in overeenstemming wordt gebracht met de oeroude biochemie van ons lichaam.”

Een van de vaders van de stelling ’Terug naar de oerdis’ is de biochemicus dr. Frits Muskiet. Deze hoogleraar aan de Groningse universiteit schreef twee jaar terug een artikel met de intrigerende titel: ’U bent wat u eet, maar u moet weer worden wat u at’. Onze vroegste voorvaderen splitsten zich vijf à zes miljoen jaar geleden af van de aap-achtigen. We zijn vervolgens rechtop gaan lopen, kregen een groter hersenvolume en veranderden van vegetariërs in alleseters. Achteraf blijkt dat we na al die miljoenen jaren evolutie qua erfelijk materiaal (DNA) toch nog nauwelijks verschillen van de chimpansee. Terugrekenend is het gat tussen de mens en de mensaap slechts 0,5 procent in een miljoen jaar gegroeid.

De jongste loot van de mensachtigen is Homo Sapiens, wij dus. Die ontwikkelde zich zo’n 160.000 jaar geleden in de Oost-Afrikaanse savannen. Van daar is hij uitgezwermd over de wereld en heeft zich aangepast aan plaatselijke omstandigheden. Zo zijn de vijf rassen ontstaan die we nu kennen. In die afgelopen 160.000 jaar zijn wij amper – nog geen 0,1 procent – veranderd. Wij zijn nog steeds een soort die genetisch is gebakken voor de Oost-Afrikaanse savannen. Biochemisch gezien is ons lichaam daar nog steeds, stelt Frits Muskiet. Wij hebben gewoon niet de tijd gehad om ons aan te passen aan de nieuwe omgeving, met zijn verontreinigde lucht door verkeer en industrie en het zwaar bewerkte industriële voedsel dat we nu gewoon zijn te eten.

Volgens Muskiet hebben we ons met die veranderingen blootgesteld aan natuurlijke selectie. Het gevolg is het ontstaan van westerse ziekten: astma, hart- en vaatziekten, long-, borst- en prostaatkanker, osteoporose (broze botten), diabetes type 2, tandbederf en vetzucht. De een reageert anders op die ziekten dan de ander, maar ziek worden we allemaal in die voortdurend veranderende omgeving. Gelukkig, schrijft Muskiet ietwat ironisch, ontstaan de westerse welvaartsziekten meestal ver na het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd, anders waren we al uitgestorven.

We hebben daardoor nog de kans om die omgevingsfactoren aan te pakken om zo een optimale gezondheid te bereiken. Een deel van die omgevingsfactoren is de afgelopen 150 jaar al aangepakt. Schoon drinkwater, rioleringen, antibiotica, vaccinatieprogramma’s zijn voorbeelden daarvan. Nu onze voeding nog. De jager-verzamelaars van 160.000 jaar geleden in de Oost-Afrikaanse savannen aten waarschijnlijk veel vis, in ieder geval omega-3 rijke dieren, en verder een grote variëteit aan groenten, fruit, noten en zaden. Dat menu wordt gekenmerkt door veel eiwitten, matig vet waarvan relatief veel omega-3 vetzuren, enkelvoudig onverzadigd vet en weinig verzadigde vetten, veel koolhydraten die langzaam door het lichaam worden opgenomen zoals vezels, weinig natrium, veel kalium, veel vitaminen en mineralen, vooral A en D, jodium en calcium. Naar deze basiscomponenten moeten we terug, aldus Muskiet, want hierop is de mensensoort in de evolutie geselecteerd.

Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er deed zich een aantal aanpassingen aan de omgeving voor die lastig zijn terug te draaien. Het conflict tussen onze omgeving en ons DNA begon zo’n 10.000 jaar geleden met de ontwikkeling van de landbouw. Recent kwam daar de industriële revolutie overheen. Dat resulteerde in een ander menu, schrijft Muskiet. Een hoge inname van verzadigde vetten (onder andere via de zuivel) en bewerkte suikers, een lage inname van vis en steeds minder beweging. Bovendien gingen we dankzij de landbouw steeds meer granen (koolhydraten) eten ten koste van groenten en fruit. Door de verbouw van granen heeft de almaar uitdijende wereldbevolking zich weliswaar kunnen voeden, zegt Muskiet, maar dat is per saldo geen voeding die de kwaliteit van ons leven heeft verhoogd. De factor ’gemak’ deed namelijk zijn intrede. We zijn gaan verbouwen wat gemakkelijk op grote schaal te produceren is en wat we lekker vinden. De industriële revolutie gaf vervolgens de genadeslag. Door het bewerken van de granen veranderden die van voeding met een lage glycemische index in een met een hoge index. Voeding met een hoge glycemische index wordt snel in het lichaam opgenomen en ontsnapt daarmee aan de waarschuwingssystemen die zeggen: stop met eten, je bent verzadigd. Als die rem wegvalt heb je een probleem, want het mensenlijf is nog steeds geënt op een verblijf in de savannen. En dat betekent: eten wanneer je kunt en zo veel je kunt, want je weet nooit wanneer je weer eten tegenkomt.

Terug naar de oerdis lijkt dan een hels karwei, maar volgens Muskiet valt dat wel mee. Hij zet in zijn artikel de oerdis naast een drietal huidige diëten – Atkins-dieet met een lage koolhydraatinname, Ornish-dieet met een lage vetinname en het traditionele Mediterrane dieet – en komt tot de conclusie dat de laatste erg dicht in de buurt komt van de oerdis.

„Als je door je oogwimpers het verhaal bekijkt, wijkt de conclusie van Muskiet niet zo erg af van de huidige voedingsgadviezen”, zegt dr. Harry Wichers, hoogleraar afweersystemen en voeding aan de Wageningen Universiteit. „Muskiet laat goed zien waar de schoen wringt. Hij geeft het kader aan waarbinnen we moeten zoeken naar een oplossing van voedingsgerelateerde gezondheidsproblemen. In Wageningen doen we dat al met een behoorlijke afdeling Nutrigenomics waar de invloed van voeding op de werking van genen wordt onderzocht. We moeten er wel voor oppassen dat we de landbouw en de industrie niet in een verdomhoekje zetten. Dan gooien we het kind met het badwater weg. Stap voor stap vooruit en de goede boodschap geduldig blijven uitdragen. Spannender kan ik het niet maken.”

Het ministerie van landbouw heeft zijn denktank InnovatieNetwerk gevraagd te onderzoeken hoe de bevindingen van Muskiet handen en voeten te geven en met iets te komen waar de consument wat mee kan. Projectleider Henk Huizing: „Door contacten met antropologen en archeologen proberen we een oerschijf van vijf op te zetten. Daarbij blijven we wel realistisch. Het moet voeding zijn die, zonodig met wat aanpassingen, in de supermarkt is te krijgen. Er zijn al contacten met voedingsbedrijven die bereid zijn met ons mee te gaan als we met een werkbaar voorstel komen.”

mailIcon print |