Kleinschalige initiatieven met streekproducten beginnen vaak idealistisch, maar ontkomen meestal niet aan de klauwen van de markt. Op zijn boerderij Hof van Twello probeert Gert Jan Jansen tegen de stroom van anonieme grootschaligheid in te zwemmen.
De oude Eend met opgerold linnen dak, waarmee Gert Jan Jansen zijn gast van het station in Twello afhaalt, past precies in het plaatje. Dit gekoesterde relikwie herinnert aan de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen Jansen al actie voerde tegen sociale misstanden. En het kwam en komt nog steeds van binnenuit, want naderhand werkte hij met junks in Amsterdam, verbleef hij als ontwikkelingswerker in Mexico en zette met allochtone jongeren in Den Haag Xotus op, nu een van de grootste teeltbedrijven van exotische groenten in Europa.
De inmiddels grijze manen van deze oude hippie (57) zijn nu wat gekuist, maar nog steeds zoekt hij naar manieren om misstanden te lijf te gaan. Als zoon van een Gelderse tuinder en in Wageningen geschoold in de tropische landbouw gaat het bij Jansen vaak over voedsel. Vijf jaar geleden richtte hij de Hof van Twello op, een boerderij annex educatie- en recreatiecentrum met duurzaam geteelde gewassen dat moet uitgroeien tot een middelpunt van de lokale economie. In Jansens optiek is een echte lokale economie met voeding als centraal thema hét antwoord op de geldgedreven, wereldomspannende voedselketens die lak hebben aan het welzijn van mensen en hun omgeving.
Amper zittend aan een tuintafel te midden van zijn uitbundige groen gaat Jansen onmiddellijk van start. „Focus op duurzaamheid in de landbouw- en voedingssector is erg nodig. Maar wat kennelijk niemand ziet of wil zien is dat de huidige focus uiteindelijk weer eindigt in grootschaligheid met alle problemen van dien.” Hij verwijst naar Michael Pollan, de Amerikaanse wetenschapsjournalist die in zijn boek The Omnivore’s Dilemma verschillende voedselketens fileert. Ook de biologische sector, zoals die zich ontwikkelt in de westerse wereld, komt er bij Pollan niet goed vanaf. Volgens hem geeft die sector zich ook steeds meer over aan de wetten van de markt en zal zich uiteindelijk gaan kenmerken door anonieme grootschaligheid waarin geld de leidraad wordt. Jansen: „De biologische sector, ook in Nederland, valt voor de markt. Voedselkilometers, aandacht voor het seizoen, het zal ze worst wezen. ’Biologisch’ staat niet meer voor een ideaal, maar is een handelsmerk geworden.”
Voor de recente hang naar streekproducten vreest Jansen hetzelfde scenario. Sterker nog, daar ziet hij al ontwikkelingen die wijzen op een nieuwe golf van industrialisering van het platteland. Met alle gevolgen voor de kleine ondernemers en hun werknemers van dien. „Eind negentiende eeuw zie je in de zuivel, in de strokarton en de suiker ontwikkelingen die leidden tot coöperaties. Langzamerhand gaan ze meedoen met de markt en op den duur ontwikkelen ze zich tot enorme multinationals. Kijk naar FrieslandCampina, Unilever, Greenery.”
Jansen verwijst naar deze krant van 30 mei, waarin „ondernemers uit het Vechtdal dromen over de export van hun ’wow’-producten”. Jansen: „Dan vraag ik me nog af wat er overblijft van je lokale focus. Die vallen voor de markt en het groeidenken dat uiteindelijk weer eindigt in anonieme grootschaligheid. Als je je producten in Amsterdam wilt verkopen – zoals met Vechtdalproducten gebeurt – ga dan dáár proberen om een lokale productie op te zetten.”
Jansen constateert dat niet alleen kleintjes vallen voor de markt, maar ook dat grote spelers dat succesvolle streekproductenconcept uitbuiten. „Achter een organisatie als ’de Landwinkel’ zitten grote fruittelers. Zij en andere regionale producenten slepen hun producten door het hele land. Hoezo streekproduct? Het kenmerk van een streekproduct en een regionale economie is dat zo’n product ook lokaal wordt geconsumeerd. Ik zal je het nog sterker vertellen. Niet zelden blijken streekproducten gewoon bulkproducten uit de gangbare landbouw en industrie waarop een lokaal etiket is geplakt. De wetgever doet daar niets tegen. Ik heb bezoek gehad van zo’n etikettenboer, maar ik weiger daar aan mee te doen. Kijk eens naar topkok Jonnie Boer. Die man wordt altijd maar weer opgevoerd als iemand die de streekproducten promoot. Weet je dat hij koolzaadolie verkoopt uit Australië voor 40 euro de liter en stinkend dure geïmporteerde wijnen in zijn winkel heeft staan. Kennelijk denken zijn hype-gevoelige klanten dat je met de naam Boer erop iets extra’s koopt. Het is puur persoonlijk gewin en heeft met een ware streekeconomie niets van doen.”
Volgens Jansen is het best mogelijk om biologische productie en kleinschaligheid te verzoenen. „Duurzame productie is het uiteindelijke doel van een lokale voedseleconomie. Dat bereik je niet in een keer, daar moet je langzaam naar toe werken. Voor veel mensen zijn duurzaam en biologisch identiek, maar dat is onzin. Dat hele EKO krijgt te veel nadruk. Biologisch kan een beetje chemie best aan. Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek, maar in Nederland is die kennis taboe. Een hectare landbouwgrond kan zo’n 100 kilo kunstmest aan. Dat wordt opgenomen door de planten. Er zijn nou eenmaal stukken grond die te weinig organische stoffen bevatten om te floreren. Daar kan een beetje kunstmest bij. Ik teel volgens die principes en met vallen en opstaan – ik doe veel onderzoek op mijn terrein – probeer ik steeds duurzamer te worden. Het einddoel is biologisch, maar blijf dan wel bij die kleinschaligheid. Anders val je weer in dezelfde kuil waar we nu proberen uit te komen.”
Je moet je dus tot op grote hoogte onttrekken aan de ongenaakbare wetten van de markt en Jansen beseft dat dat geen sinecure is. „Het is zeer, zeer lastig. Zoiets kun je alleen maar oplossen door alles en iedereen te betrekken bij de lokale economie. Maar het gaat om meer dan voedsel alleen. Een ware lokale economie kan alleen functioneren in een ware lokale gemeenschap. Productie, arbeid, zorg, onderwijs, bouw en ruimtelijke ordening moeten allemaal op elkaar worden afgestemd. Zo zoek ik steeds naar andere bedrijven die partners willen worden. Ik heb er nu acht. Samen gaan wij op zoek naar de oplossing van de hamvraag: hoe kunnen we in een lokale economie zonder oneigenlijke schaalvergroting goederen en diensten betaalbaar aanbieden?”
In de vijf jaar dat Jansen in het Gelderse bezig is, is zijn enthousiasme niet geknakt. „Als ik kijk naar verse producten dan kan ik tegen een gigant als Albert Heijn op, terwijl ik toch vrijwel geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruik. Mijn kosten zijn een stuk lager. Ik verkoop mijn producten in de streek. Door die korte lijnen heb ik amper kosten voor opslag, verpakking, vervoer en reclame. Ik heb geen dure controle-instanties nodig, want mijn klanten kennen mij en ik ken mijn klanten en die ga ik natuurlijk niet vergiftigen. Gaat het om verwerkte producten dan is het een ander verhaal. Tegen Unilever kan ik niet op. Die kan door wereldwijde inkoop en verwerking in lage-lonenlanden scherpe prijzen stellen. Ik moet dan mijn kostprijs tegen het licht houden, iets dat de biologische sector weigert te doen.”
Hoe los je dat op? „Door betaalde arbeid te vervangen door eigen arbeid. Daarvoor moet je samenwerken met bijvoorbeeld zorginstellingen, scholen, ouderenorganisaties en consumenten zelf. Je brengt je eigen arbeid in als deel van het aankoopbedrag. Dat verlaagt de kosten van het product, maar heeft nog een ander voordeel. Zorgpatiënten, scholieren, ouderen hebben zo ook een zinvolle bezigheid. Ook consumenten kunnen hier in hun vrije tijd zelf gaan oogsten. Het voelt al geweldig dat je je voedsel via eigen arbeid binnenhaalt, maar er ontstaat ook zorg voor elkaar die verder gaat dat de verstrekking van voedsel. Zoiets kweekt tevens gemeenschapszin.”
Een ander deel van de oplossing ziet Jansen in multifunctionele fabriekjes. „Op mijn terrein staat nu een verwerkingsfabriekje van fruit, maar ik ben bezig die ook geschikt te maken voor het produceren van flessen spijsolie – ik heb een heel veld vol koolzaad – wijn en bier. Zo kan dat fabriekje goedkoper draaien.” Maar toch, de klauwen van de markt zijn alomtegenwoordig. „Ik weet het, het is een lastig verhaal. Maar we zullen moeten omschakelen naar een duurzame landbouw en verwerking. Duurzaam kan je niet een beetje zijn. Je moet het met je hele hebben en houden zijn en het moet kleinschalig. „Dat betekent dat het moet worden ingebed in de lokale sociale structuur. Een echte lokale economie kan niet draaien zonder.”
Dat vraagt min of meer om een sociale omwenteling. „Ja”, antwoordt Jansen zonder aarzelen. „Maar ik heb daarvoor geen uitgewerkte blauwdruk. Vroeger had ik haar tot hier en liep met spandoeken om verandering te eisen. Ik heb geleerd het gewoon te proberen. Dat is de enige weg. Het is zwaar, landbouw is zwaar. Met verstand en hart probeer ik mijn alternatief vorm te geven. Ik zie aan de groei van dit bedrijf dat er grote behoefte aan is.”
Om naast het verstrekken van voedsel – via de winkel of oogstabonnementen – te wortelen in de lokale economie en gemeenschap zijn educatie en recreatie er belangrijke activiteiten. Koken, maar ook teambuilding zitten in het aanbod. Voor de wandelaars is er van alles te vinden, zoals een blote-voetenpad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.