*

 

Kwak en kroost

Koos Dijksterhuis − 02/05/09, 00:00

Onze eend is weg. We missen haar niet. Soms glipte ze naar binnen. Ze waggelde onder zachte dwang de deur uit, gedempt snaterend. Als je haar in huis verraste, schrok ze zo dat je zelf nog heviger schrok. Ze klapwiekte de kamer door, een spoor nalatend van kleefstront. Werden de twee woerden te opdringerig, dan zocht ze dekking tussen onze benen.

  • Eend met jongen. (FOTO JEANETTE ESSINK)

Ik had een oom en tante. Ze woonden aan de Rijn, de Oude. Er broedde een eend onder het raam. „Dat is Kwak”, zei oom. Geen originele naam voor een eend, maar de manier waarop oom het zei, boezemde ontzag in. Ik noem onze eend ook Kwak. Kwak versmaadt de korf die we voor haar neerzetten, maar broedt in het lange gras. Daarom is ze een tijdje weg. Ze komt ineens langs met twaalf donsjes. Elf bruin-met-gele en een donkerbruine.

Soms zien we haar een tijdje niet, dan weer meermaals op één dag. De twee woerden trekken samen op. Op de eend hoeven ze niet te rekenen; ze heeft jongen. Ze kan hen allebei aan. Elke dag verdwijnt er een jong eendje. Kraaien, meeuwen, reigers, een snoek. Ze heeft er nog tien, nog acht, nog zeven. Bruintje is er nog. Hij blijft niet aan moeders zijde, maar zwemt het verst weg. De avonturier – eigenzinnig in kleur en gedrag. Kwak blijft bij haar eendenkroost. Maar kruimels kaapt ze gretig weg voor haar jongen. Ze heeft er nog maar één: Bruintje. Ze overnachten op één poot aan de overkant. Ik hoor woest gesnater, geklapwiek en geplons. Een kat schimt door het riet. Nu is Kwak weer alleen. Ze zoekt dekking voor de woerden.

mailIcon print |