„Ik ring knobbelzwanen sinds 2004”, vertelt zwanenringer Ton Eggenhuizen. Ton is sinds vorig jaar stadsecoloog van de gemeente Almere, maar knobbelzwanen zijn zijn hobby.
Tussen twee hagelbuien door lopen we van het stadhuis naar het Weerwater waar vorig jaar knobbelzwanen broedden. Nu laten ze het met chipszakjes vervuilde riet langs de kade voor wat het is. Maar in een kanaal dobberen wel zwanen.
Eerst durfde Ton het niet zo goed, zwanen ringen. „Zwanen zijn maagdelijke schoonheden en als je die in de stad vangt en ringt, wat zouden de mensen daar dan van denken?” Maar een bevriende vogelonderzoeker haalde hem over. Ondertussen hebben ze volgens Ton zeker 95 procent van de dertig à veertig Almeerse knobbelzwaanpaartjes geringd.
Je hoeft maar een wegwerpgebaar met je hand te maken, of de zwanen peddelen toe. Brood, denken ze. „Er zijn tientallen mensen die eenden en zwanen voeren”, zegt Ton. „De reacties vielen enorm mee. We legden uit dat we wilden weten of er uitwisseling was tussen de stadse en de provinciale zwanen en dat we ze daarom ringden. Nu is dat leger zwanenvoerders een onuitputtelijke bron van informatie over waar welke zwanen zijn. Ook worden we regelmatig gewaarschuwd dat een zwaan in nood is. Dan heeft zo’n beest zich op een flatbalkon gestumperd en kan hij er niet meer af vanwege het balkonhek. De mensen zijn gek op die zwanen. Er was eens iemand die ’haar’ - het zijn altijd vrouwen - lievelingszwaan wilde hebben toen ie dood was, om hem te laten cremeren en de as op de schoorsteen te zetten.”
In het heldere water zijn de poten van de toesnellende zwanen duidelijk te zien. Sommige dragen een ring om hun rechter-, andere om hun linkerpoot. Er nadert een vrouw met een zak brood. Nog meer zwanen peddelen toe. Ton voert er één uit de hand. Dat zint de machozwaan verderop niet. Met gebolde vleugels haast hij zich nader. Zijn donkergrijze poten steken peddelend uit naar achteren. Maar kijk, de bink is niet geringd! Hij is één van de stuk of drie, vier zwanen die tot dusverre ontsnapt zijn aan Tons ringlust. „Ik zal hem vanavond eens onder handen nemen”, grijnst hij.
Het vangen van zwanen is niet moeilijk, omdat ze uit je hand eten. „Maar je moet oppassen voor een lel met een gestrekte vleugel”, zegt Ton. „Daarom moet je ze zonder aarzeling innig omarmen en tegen je aandrukken.”
De ringen maken duidelijk dat de stadse zwanen geen geïsoleerde populatie vormen. Ton vertelt over een zwanenpaar dat in Arkemheen was geringd, bij Nijkerk. „Die vestigden zich in Almere. Maar na twee jaar was het mannetje dood. Het vrouwtje werd later met een nieuwe man terug in Arkemheen gezien.”
’s Winters voegen zich tientallen zwanen van buiten bij de zwanen in Almere. Sinds kort treft Ton er in de nazomer ook ruiende groepen zwanen aan. „Als ze jongen hebben, ruien de ouders na elkaar”, vertelt hij. „Dan is er altijd één mobiel genoeg om de jongen te verdedigen. Zonder jongen ruien ze tegelijk.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.