Volgens filosofe Désanne van Brederode hebben tv-makers oppervlakkigheid tot kunst verheven. Maar ze vergeet dat de zappende kijker van nu juist een mix van amusement en informatie wíl.
Désanne van Brederode is boos op de programmamakers van de KRO, NCRV en Ikon. Maar wij als KRO’ers krijgen er extra van langs, omdat wij haar als katholieke geestverwanten dubbel teleurstellen. In haar schotschrift, waarover zij in Trouw van 22 maart werd geïnterviewd, schrijft zij dat wij ons schuldig maken aan ’modern dédain’. Zij sluit haar tekst stampvoetend af, zoals veel boze mensen tegenwoordig doen, met een bedreiging: „Het wordt tijd voor onversneden traditioneel dédain jegens iedereen die besmet is met modern dédain”.
Op het gevaar af haar nog bozer te maken, eerst even een korte weergave zoals wij die op televisie of radio graag geven voor mensen die haar pamflet nog niet kennen. Vroeger minachtte de beschaafde elite de onbeschaafde massa. En de onbeschaafde massa vond de elite aanstellers. Toen kwam er een tijd dat de happy few vond dat de massa ook recht op het geluk van beschaving had en werd minachten van de massa zelfs een taboe.
Een van de gevolgen van de volksverheffing was dat de scheidslijnen tussen hoge en lage cultuur verdwenen. Pulp en poëzie passen nu in dezelfde boekenkast. Dat is helemaal niet erg, zegt Van Brederode, ze combineert er zelf ook op los.
Zij vindt het wel erg dat de volksverheffing is omgeslagen in het tegendeel: modern dédain. Mensen die verlangen naar schoonheid, diepgang en geduld worden uitgelachen door mensen die er prat op gaan dat ze nog nooit van Mulisch hebben gehoord.
Wij KRO-programmamakers maken ons volgens Van Brederode schuldig aan modern dédain, bijvoorbeeld doordat wij niet ’een diepgaand theologisch debat over eucharistie, van liefst een uur’ uitzenden, maar te veel aandacht besteden aan het uitleggen van de katholieke basisbegrippen. Van Brederode kent die basisbegrippen al, want het katholieke geloof gaat haar ter harte. Ze kijkt naar onze programma’s omdat ze juist méér wil weten en niet omdat ze behoefte heeft aan ’leuke weetjes en flitsende filmpjes’.
Van Brederode heeft gelijk als ze zegt dat het debat in Nederland onvoldoende kwaliteit heeft en dat publieke televisie een rol heeft, of zou moeten hebben, in de verbetering daarvan. Je zou daarom verwachten dat zij zich in de strijd voor het behoud van die omroep aan de kant van diezelfde omroep zou scharen. Maar ze heeft het zo druk met haar kritiek dat ze in haar schotschrift voorbijgaat aan het werkelijke probleem: de politieke druk die de publieke omroep dwingt om te werken zoals ze nu werkt.
Als Van Brederode zo begaan is met het katholieke zou ze zich meer zorgen moeten maken over het feit dat bij katholieken en niet-katholieken de meest elementaire basiskennis over het katholieke geloof en cultuurgoed ontbreekt. Televisie als breed medium kan, weliswaar op een bescheiden manier, goed voorzien in die leemte. „Denken de redacteuren nu werkelijk dat de kijker die klaar is met ’Jensen!’ en nog even doorzapt, blijft hangen bij een gezellige docu over hosties?”
Hier onderschat Van Brederode het medium televisie. Juist de combinatie van amusement en informatie is een typisch kenmerk van moderne televisie, die men met de afstandsbediening in de aanslag bekijkt. Dit betekent overigens niet dat er in de media geen evenwicht zou moeten zijn tussen amusement, infotainment en het voeren van inhoudelijke debat. De grote KRO en het kleine RKK zoeken die balans in hun programmering. En als we daarvoor van de politiek geen ruimte krijgen op televisie, dan doen we dat tegenwoordig via internet.
Tegelijk overschat Van Brederode televisie ook weer. Film, gedrukte media, internet, de live lezing, het debat zijn veel geschikter voor de ’langzame informatie’ die zij mist op televisie. Zij maakt in haar pamflet geen kritisch afweging tussen de waarde en werking van verschillende media. Zij neemt televisie de maat met criteria die zij ontleent aan de traditionele elitaire beschaving, waar rede en redeneren hoog staan aangeschreven.
Neerlandicus Herman Pleij beargumenteerde in zijn essay ’Beschaafde televisie’ uit de bundel ’Tegen de barbarij’ (1999) dat televisie zich van haar sterkste kant toont als ’droomfabriek’. Met de afstandsbediening in de hand schept de kijker zijn eigen ’compenserende wanorde’. „Kennelijk”, schrijft hij, „vormt de gesystematiseerde onlogica van het beeldscherm een noodzakelijk contrast met het zo rationeel geleide en verlopende leven van alledag”.
Van Brederode maakt zich terecht bezorgd om de stand van de beschaving. Pleij’s slotstelling moet haar als filosofe dan toch aanspreken: „De vraag kan allang niet meer zijn wat tv voor de beschaving doet. Duidelijk is immers dat de televisie onze opvattingen over beschaving inmiddels ingrijpend heeft veranderd.”
Die fundamentele inhoudelijke kant van het debat raakt Van Brederode niet aan. De kritiek in haar pamflet betreft vooral de vorm. Met dezelfde moeite had ze een bijdrage aan de inhoud kunnen leveren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.