opinie Barack Obama heeft zijn verkiezing tot president van de Verenigde Staten voor een belangrijk deel te danken aan zijn welsprekendheid, goed gekozen woorden op het juiste moment en met het juiste ritme uitgesproken.
Ik hoorde Felix Rottenberg er onlangs lovend over spreken in De Wereld Draait Door, een programma waar je ook maar beter raak en adequaat kunt antwoorden, anders word je weggeblazen, zoals onlangs nog de criticus Arnold Heumakers ervoer toen hij het, man van het trage en geschreven woord, moest opnemen tegen Matthijs van Nieuwkerk en Herman Koch over diens laatste boek Het diner, waarin de schrijver volgens Heumakers een kans had laten liggen terwijl de anderen succesvol betoogden dat het toch een bestseller was.
Terug naar spreker Rottenberg, die ook nog een fragmentje uit een oorlogsspeech van Churchill liet horen: ’We shall fight on the beaches, we shall fight on the landing grounds, we shall fight in the fields and in the streets, we shall fight in the hills; we shall never surrender.’ Poëzie noemde hij dat. En zo was het retorisch talent van Obama afkomstig uit de gospel, betoogde hij.
Nederland is nooit een erg retorisch land geweest, daar waren we kennelijk te nuchter voor. Misschien ook associeerden we het te snel met de kansel, waar wel degelijk gegalmd werd, iets waar ik trouwens nooit zoveel op tegen heb gehad. Waarom een bijbeltekst niet uitgesproken alsof het iets bijzonders is?
Desondanks heeft Nederland natuurlijk ook wel een handjevol redenaars, Geert Wilders is er een voorbeeld van. Als je zijn teksten al poëzie zou willen noemen dan weliswaar poëzie van de straat, met ’knettergek’ en ’grote boevenbende’, maar dat maakt voor het effect niet uit, ze zijn goed ingestudeerd en komen er op het juiste moment uit. Zo’n voorbeeld laat wel zien dat poëzie en retoriek ook niet alles zijn.
Natuurlijk liet Rottenberg niet ter illustratie van zijn stelling redevoeringen van Hitler of Goebbels horen, maar die konden er ook wat van. Hele volkeren sleepten ze mee maar je hoort er toch zelden met waardering over spreken. We noemen ze liever volksmenners dan redenaars.
Dat laat zien dat retoriek geen autonoom genre is, geen altoos werkende toverdrank. We luisteren er alleen maar naar als het ons goed uitkomt. Als Obama in plaats ’kernwapens de wereld uit’ (een oude gevoelige snaar in activistisch Nederland) op dezelfde toon had gezegd ’meer kernwapens de wereld in’ had toch heus niemand instemmend geknikt.
Retoriek is voorts, anders dan de meeste literaire vormen, eenmalig en persoonsgebonden. Als ik nu nog ’I had a dream’ zeg, word ik uitgelachen. Obama’s (van Bob de Bouwer overgenomen en voor volwassenen bewerkte) lijfspreuk ’Yes, we can’ klinkt uit de mond van al die politici en zakenlui die ’m proberen na te apen, als een goedkope grap.
Het is kortom een delicaat genre, het juiste woord op de juiste plaats met ook nog de juiste bedoelingen. Ik denk eigenlijk dat de gave der welsprekendheid geen bedreiging vormt voor de waarheid van het gezegde ’Spreken is zilver, zwijgen is goud.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.