*

 

We zijn alleen en niemand heeft iets met ons voor

Bert Keizer − 03/01/09, 00:00

opinie In juni 1959 stierf mijn moeder. Honderd jaar na Darwins ’On the origen of species’. Men zegt wel dat Darwin de tweede was van een drietal beledigingen de mensheid aangedaan.

De eerste was Copernicus’ ontdekking dat de aarde om de zon draaide en niet andersom. De tweede was Darwins vaststelling dat wij niet naast of boven het dierenrijk toeven maar dat we er verrassend goed in passen. En de derde was Freuds bewering dat we geestelijk nauwelijks baas in eigen huis zijn, want we worden geregeerd door gevoelens die we niet in de gaten en zeker niet in de hand hebben.

Ik geloof niet dat mijn moeder ooit van Darwin heeft gehoord. En dat de zon om de aarde draaide, of juist niet, zal haar niet getroffen hebben als een bevestiging dan wel ondergraving van de positie van de menselijke soort. Ook Freuds ontstellende démasqué ging aan haar voorbij. Ik denk dat er nog altijd talloos veel miljoenen zijn voor wie de drie beledigingen net zo min iets betekenen als indertijd voor mijn moeder.

Ik zeg dit om enige betrekkelijkheid te introduceren rond het idee dat er ’nu wereldwijd wordt stilgestaan bij het gedachtegoed van Darwin’ zoals ik ergens las.

De meeste mensen leven zo ver van het darwinisme dat ze er niets op tegen hebben maar er ook niks in zien.

John Gray zegt dat Darwin in niet-christelijke culturen nauwelijks opzien zou baren omdat men zich daar nooit zo grondig van het dier distantieerde als wij deden. Maar ik denk dat hij voorbij gaat aan de essentie van Darwins ontdekking, het ijselijke ervan. De dieren met wie de vele niet-christelijke culturen min of meer op voet van gelijkheid verkeerden zijn heel andere wezens dan de dieren zoals we ze na Darwin zijn gaan zien.

Sinds Darwin zijn dieren er zomaar. Wij ook dus. Wat tegenwoordig zingevingsproblematiek heet is een vorm van geestelijk ongemak die na Darwin een onbeschrijflijke dimensie heeft gekregen. Frits van Egters’ (’De Avonden’) troostende verzuchting ’het is niet onopgemerkt gebleven’ kunnen wij niet onderschrijven.

Niemand ziet het leven op aarde. Niemand wilde dat leven.

Hier twee passages over het oog waarin de wereld van voor en die van na Darwin mooi doorklinkt. Eerst Galenus (129-200 AD), die ’Schepper’ en ’Natuur’ door elkaar gebruikt. Het citaat komt uit ’De usu partium’ (over het nut van de lichaamsdelen). „Kunnen wij achteraf (en niet vooruitdenkend zoals de Natuur dat kan) enige gerechtvaardigde kritiek laten horen op de dingen die zij gemaakt heeft, omdat het misschien beter was geweest ze anders te maken? * Oh gij, beschimper der Natuur toon ons een andere van de zeven cirkels van de iris waar het hoornvlies beter uit zou kunnen ontspringen of als ge dat niet kunt en toch denkt dat het niet goed is dat het hoornvlies uit de hardste cirkel van alle ontstaat, toon ons dan hoe gij het hoornvlies beter gemaakt zou hebben als ge in de plaats van Prometheus zelve geweest waart!”

De verontwaardigde toon maakt geen deel uit van de visie. Dit is niet zozeer Intelligent Design alswel Glorious Design.

En hier is Darwin, ook over het oog (uit zijn ’Origin’): „Ik geef volmondig toe dat het in hoge mate absurd lijkt om te veronderstellen dat het oog met al zijn onnavolgbare onderdelen voor de aanpassing van het brandpunt aan de afstand, voor het toelaten van uiteenlopende hoeveelheden licht en voor de correctie van sferische en chromatische aberratie, gevormd zou kunnen zijn door natuurlijke selectie. En toch zegt de rede mij, dat indien men kan aantonen dat er talloze gradaties bestaan tussen een perfect en complex oog en een zeer gebrekkig en eenvoudig oog, waarbij elke vorm zijn nut heeft voor de bezitter; en dat er variatie is in ogen, hoe gering ook, en dat die variaties geërfd kunnen worden (hetgeen zeker het geval is); en dat zo’n variatie of verandering in het orgaan nuttig kan zijn voor een dier bij veranderende levensomstandigheden, dan kan het probleem dat het zo ongelofelijk lijkt dat een perfect en complex oog zou ontstaan door natuurlijke selectie, hoewel onoverkomelijk voor onze verbeelding, nauwelijks reëel genoemd worden.”

Het verraderlijke van Darwins betoogtrant is de schuchterheid, waaronder evenwel een diepe overtuiging schuilgaat. Hij neemt je zachtjes mee naar één van de schokkendste onthullingen die ooit over ons gedaan is. Omdat hij er zo kalm bij blijft denk je dat hij zelf niet goed in de gaten heeft wat hij zegt, maar hij wist het heel goed, pijnlijk goed zelfs. Dat wij alleen zijn. Dat een mensenleven net zo zinvol is als een dierenleven. Dat we niet bedoeld zijn. Dat niemand iets met ons voor heeft. Dat we niet hoger of lager staan dan wie of wat ook.

Waar Philip Larkin, een heel ander type Engelsman, aan toevoegde: ’we should be careful of each other, we should be kind while there’s still time’.

We moeten voorzichtig met elkaar zijn, we moeten vriendelijk zijn zolang daar nog tijd voor is.

mailIcon print |