opinie Volgens mijn vader kwam je nooit los van je rooms-katholieke opvoeding. Dat vond ik nou echt stom, want (dacht ik) kijk nou eens naar mij! Als twintigjarige bevond ik mij naar eigen inschatting op astronomische afstand van het katholieke gedachtegoed. Het was overigens niet mijn eigen krachtige vleugelslag die mij ver boven het geloof van mijn vaderen verhief.
Welnee, het ging om een even heerlijk als koppig mengsel van Beatles, Reve, Hendrix, Nescio en Zappa. En hormonen. En Provo natuurlijk. Oh en Vietnam niet te vergeten. Maar zo’n lijst heeft geen zin. Uiteindelijk vallen de redenen waarom wij de katholieke kerk uitslenterden niet zo helder te formuleren. Wie het proces wil zien als een afrekening op grond van rationele overwegingen,,die komt denk ik ook niet erg ver. Want dat type overweging deed in 1952 ook al de ronde, maar de toenmalige zestienjarigen bleven er rustig mee binnen het katholicisme hangen. Eigenlijk waren alle godsdienstopruimende redeneringen al afgerond in 1859 door Darwin. Of in 1830 door Lyell met zijn ’Principles of Geology’. Of in 1739 door Hume in zijn ’A Treatise of Human Nature’. Maar nou zitten we weer in zo’n lijst en ook deze legt het niet echt uit.
Het is dus niet zo eenvoudig om aan te geven waarom het katholicisme het zo goed deed in 1930 en waarom het zo onherstelbaar ineenzeeg vanaf zeg maar 1962, het Tweede Vaticaans Concilie. Er is voor mij en mijn leeftijdgenoten wel sprake van een mooi samengaan van ons puberale ontwaken met het ineenstorten van de kerk, een samenloop van gebeurtenissen die ons goed deed. Want wat is er heerlijker dan zo’n kerk te zien struikelen over misgewaden, volkstaal, beatmis en anticonceptie terwijl je zelf in een afbreekstemming bent? Het leek toen even alsof zo’n beetje iedereen die nadacht aan het puberen was. Hoe ondoorgrondelijk kerkgeschiedenis is, blijkt wel uit het feit dat het instorten van de katholieke kerk juist een aanvang nam in de jaren waarin die kerk zich op een steeds humanere wijze (zo werd dat dan ervaren) met haar leden ging bezighouden. Wie het snapt die mag het zeggen.
In zijn boek ’A secular age’ heeft de Canadese filosoof Charles Taylor geprobeerd hier iets van te begrijpen en ik heb geprobeerd zijn verslag als verhelderend te ervaren, maar zijn boek is ongeveer net zo ingewikkeld als de beschreven ontwikkeling. Ik bedoel dat niet als een diskwalificatie, want misschien toont Taylor juist aan dat het hier om een heel ingewikkeld verhaal gaat. Er is één versie van het secularisatieverhaal die hij al meteen in zijn voorwoord terzijde schuift. Hij weigert de teloorgang van bijvoorbeeld het katholicisme te zien als een subtraction story, een verhaal waarin de mens in zijn glorie al maar hoger rijst naarmate hij er beter in slaagt zich los te maken uit godsdienstige overwegingen. Taylor ziet secularisatie niet als een proces van intellectuele bevrijding waarin de mens zich ontdoet van die idiote religieuze last om eindelijk werkelijk zichzelf te worden. Er is geen onderliggende altijddurende menselijke aard waar religie als een hinderlijke korst op zit.
En toch was nu juist deze laatste versie mijn favoriet, zoals blijkt uit mijn dédain jegens de opvatting van mijn vader over dat niet af te schudden katholicisme. Ik had het juist wél afgeschud en was daar trots op.
Mijn gebrekkige kennis van theologie betekent onder andere dat ik niet voldoende oog heb voor de betrekkelijkheid van dit afschudden. Want hoeveel religie is overgestoken naar de aanbidding van ’de waarheid’? De gewijde sfeer waarin alles moet wijken voor ons zoeken naar ’hoe het echt zit’? Ik raak dan ook lichtelijk in de war als ik Rorty’s overwegingen lees over de waarheid waarin het begrip ’echt’ uit ’hoe het echt zit’ naar mijn zin een veel te huishoudelijke rol krijgt toebedeeld. Ik had daar als gepensioneerde, ex-, of crypto-katholiek alweer een heel altaar omheen gebouwd.
Nietzsche verweet de aartsrationalisten: Und selbst noch Ihr Atom, meine Herren Mechanisten und Physiker, wie viel Irrtum, wie viel rudimentüre Psychologie ist noch in Ihrem Atom rückstündig?
Je kunt niet met je hoofd over je hoofd nadenken. Die kop moet eraf, vindt Nietzsche.
Maar zijn onze gedachtes (godsdienstig, natuurkundig, folkloristisch, sterrekundig, politiek, wijsgerig) dan allemaal even plaatselijke pufjes die we als bescheiden windjes ter opluchting uit ons geestelijke achterste laten ontsnappen? ’Kunnen we ’t nog eens over hebben’, zou Beckett zeggen.
Terug naar de kerkgeschiedenis. Naar mijn indruk zag Satan halverwege het Tweede Vaticaans Concilie ineens een kans rijpen. Na Alfrink werden vrijwel alle kerkelijke leiders met onverholen duivelse doortraptheid geselecteerd op hun vermogen om de kerk verder om zeep te helpen. Gijsen, Simonis, Eyk en nu Ratzinger, allemaal even talentvol in die richting. De re-communicatie van die rare Williamson en de Pius X-club lijkt een misgreep van Benedictus, maar in feite is hier een stagiair-duiveltje aan de gang. Oudere duivels fronsen, want zij opereerden altijd veel omzichtiger. Maar gun zo’n jonkie een kans, denk ik dan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.