*

 

Bestaat God? Alsof je daarover vergadert!

Anne van der Meiden − 17/01/09, 00:00

Klaas Hendrikse wil er een agendapunt van maken. Een onzalig plan. Nee, ik heb geen enkele behoefte mee te doen aan de discussie over het bestaan van God.

Voor velen met mij is dit een versleten en grotendeels mislukt project van eeuwen synodes en religieus filosoferen. Een casus voor theologiestudenten, om hen te leren hoe het niet moet en niet kan. En zeker niet hoeft.

De schrik slaat je daarom om het hart als je leest dat Klaas Hendrikse en de Synode met elkaar kibbelen over de vraag of het bestaan van God op de PKN-synode als item behandeld moet worden, zoals Hendrikse wil (Trouw, 6 januari). Volksvroom gezegd: god beware ons. Praktisch gezegd: who cares?

Ook als God niet bestaat verhindert hij hopelijk de discussie. Wij mensen moeten maar alvast vermoeden dat hij zich er niet mee bemoeien zal. Daar is hij te ver voor heen. Het moet wezensvreemd en verdrietig voor hem zijn voortdurend weer die mantra’s af te horen draaien.

Trouwens, de synode heeft er geen tijd voor. De agenda is vol, met aardse beslommeringen over gebouwen, geld, ambtelijke leegloop en ledenadministratie. Dat vraagt zoveel tijd, dat je je gaat afvragen of de synode wel kan bestaan.

Je hoeft trouwens niet met de helm geboren te zijn om te voorspellen wat er uit zo’n ’bestaat-God-of-niet’-discussie komt. Ik denk ongeveer dit: natuurlijk bestaat hij, maar niet zoals we altijd dachten, of zoals beredeneerbaar of empirisch aantoonbaar is. Wel zoals hij invoelbaar is. Wel empirisch als je bewijst dat je het geloven in Gods bestaan kunt aflezen van het gelovig handelen en denken van mensen. Maar dan krijg je niet één antwoord, maar miljoenen.

Elk mens beleeft Gods bestaan in zijn eigen tijd en eigen leefomgeving. Elke geloofsgemeenschap in zijn eigen richtingen, elk mens in zijn eigen woorden en gedachten. Leve de pluriformiteit van het bestaan van ons aller godsbestaan. Zoveel kleurrijke bloemen op een of meer vazen.

Nee, we hoeven niet allemaal tegelijkertijd één te zijn, dat kan trouwens empirisch niet eens. Er bestaat geen eenheid in verscheidenheid, dat is eigenlijk vrome, charmante romantiek.

Zeker, er is maar één God, maar van nature knippen we die op in stukjes van eigen maat en betekenis. Soms herkennen we hem van elkaar, met een knipoog. Dat is het ultieme moment van herkenning van elkaars zoeken en vinden. Dat beleven we, dat schrijven we niet op, dat meten we ook niet. Dat is er. Kostbaar en hartverwarmend, maar we laten er geen theorie op los.

En voor de rest, voor het laatste kwartier van de discussie: laat de tulp op de vaas gewoon het recht hebben zelf tulp te zijn, maar zorg er als synode voor dat de conservatieve tulp niet de frivole roos probeert te bekeren, en laat de trotse hyacint zich niet claimend opstellen tegenover het nederige viooltje.

Hij bestaat dus wel. Op een of andere manier, in teksten die mensen schreven, in gebeden, in schilderijen en muziek, maar het hoe blijft schimmig. Zoals een oud-collega in de communicatiewetenschap het eens formuleerde: sommige soorten van communicatie (ook binnen het geloof) over sommige soorten onderwerpen hebben bij sommige mensen op sommige soorten ogenblikken sommige effecten –maar welke weten we niet. En zo laten we het maar. Anders hebben we niets meer om te aanbidden. En aanbidden is geloven met de mond vol tanden.

Anne van der Meiden
emeritus hoogleraar public relations en theoloog

mailIcon print |